NL: privilegiërenDE: begünstigen, bevorteilen, bevorrechtigen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geprivilegieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik privilegiër jij privilegiërt hij privilegiërt wij privilegiëren jullie privilegiëren zij privilegiëren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geprivilegieerd jij hebt geprivilegieerd hij heeft geprivilegieerd wij hebben geprivilegieerd jullie hebben geprivilegieerd zij hebben geprivilegieerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik privilegieerde jij privilegieerde hij privilegieerde wij privilegieerden jullie privilegieerden zij privilegieerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geprivilegieerd jij had geprivilegieerd hij had geprivilegieerd wij hadden geprivilegieerd jullie hadden geprivilegieerd zij hadden geprivilegieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal privilegiëren jij zult privilegiëren hij zal privilegiëren wij zullen privilegiëren jullie zullen privilegiëren zij zullen privilegiëren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geprivilegieerd hebben jij zult geprivilegieerd hebben hij zal geprivilegieerd hebben wij zullen geprivilegieerd hebben jullie zullen geprivilegieerd hebben zij zullen geprivilegieerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou privilegiëren jij zou privilegiëren hij zou privilegiëren wij zouden privilegiëren jullie zouden privilegiëren zij zouden privilegiëren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geprivilegieerd hebben jij zou geprivilegieerd hebben hij zou geprivilegieerd hebben wij zouden geprivilegieerd hebben jullie zouden geprivilegieerd hebben zij zouden geprivilegieerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
privilegiër
|
DE: privilegierenSynoniemen: begünstigen, bevorteilen, bevorrechtigen
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
privilegiert privilegierend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich privilegiere du privilegierst er privilegiert wir privilegieren ihr privilegiert sie; Sie privilegieren
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe privilegiert du hast privilegiert er hat privilegiert wir haben privilegiert ihr habt privilegiert sie; Sie haben privilegiert
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich privilegierte du privilegiertest er privilegierte wir privilegierten ihr privilegiertet sie; Sie privilegierten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte privilegiert du hattest privilegiert er hatte privilegiert wir hatten privilegiert ihr hattet privilegiert sie; Sie hatten privilegiert
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde privilegieren du wirst privilegieren er wird privilegieren wir werden privilegieren ihr werdet privilegieren sie; Sie werden privilegieren
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde privilegiert haben du wirst privilegiert haben er wird privilegiert haben wir werden privilegiert haben ihr werdet privilegiert haben sie; Sie werden privilegiert haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich privilegiere du privilegierest er privilegiere wir privilegieren ihr privilegieret sie; Sie privilegieren
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe privilegiert du habest privilegiert er habe privilegiert wir haben privilegiert ihr habet privilegiert sie; Sie haben privilegiert
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich privilegierte du privilegiertest er privilegierte wir privilegierten ihr privilegiertet sie; Sie privilegierten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte privilegiert du hättest privilegiert er hätte privilegiert wir hätten privilegiert ihr hättet privilegiert sie; Sie hätten privilegiert
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde privilegieren du würdest privilegieren er würde privilegieren wir würden privilegieren ihr würdet privilegieren sie; Sie würden privilegieren
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde privilegiert haben du würdest privilegiert haben er würde privilegiert haben wir würden privilegiert haben ihr würdet privilegiert haben sie; Sie würden privilegiert haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du privilegiere
|