NL: priegelenSynoniemen: friemelen
EN: do fine needlework
ES: hacer filigranas
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepriegeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik priegel jij priegelt hij priegelt wij priegelen jullie priegelen zij priegelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepriegeld jij hebt gepriegeld hij heeft gepriegeld wij hebben gepriegeld jullie hebben gepriegeld zij hebben gepriegeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik priegelde jij priegelde hij priegelde wij priegelden jullie priegelden zij priegelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepriegeld jij had gepriegeld hij had gepriegeld wij hadden gepriegeld jullie hadden gepriegeld zij hadden gepriegeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal priegelen jij zult priegelen hij zal priegelen wij zullen priegelen jullie zullen priegelen zij zullen priegelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepriegeld hebben jij zult gepriegeld hebben hij zal gepriegeld hebben wij zullen gepriegeld hebben jullie zullen gepriegeld hebben zij zullen gepriegeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou priegelen jij zou priegelen hij zou priegelen wij zouden priegelen jullie zouden priegelen zij zouden priegelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepriegeld hebben jij zou gepriegeld hebben hij zou gepriegeld hebben wij zouden gepriegeld hebben jullie zouden gepriegeld hebben zij zouden gepriegeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
priegel
|