NL: pressenDE: auspressen, auskeltern, ausdrücken, auswringen, drücken, keltern, drücken, andrücken, aneinanderpressen, aufeinanderpressen, komprimieren, zusammendrücken, zusammenpressen
EN: force, oblige, compel
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geprest
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik pres jij prest hij prest wij pressen jullie pressen zij pressen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geprest jij hebt geprest hij heeft geprest wij hebben geprest jullie hebben geprest zij hebben geprest
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik preste jij preste hij preste wij presten jullie presten zij presten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geprest jij had geprest hij had geprest wij hadden geprest jullie hadden geprest zij hadden geprest
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal pressen jij zult pressen hij zal pressen wij zullen pressen jullie zullen pressen zij zullen pressen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geprest hebben jij zult geprest hebben hij zal geprest hebben wij zullen geprest hebben jullie zullen geprest hebben zij zullen geprest hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou pressen jij zou pressen hij zou pressen wij zouden pressen jullie zouden pressen zij zouden pressen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geprest hebben jij zou geprest hebben hij zou geprest hebben wij zouden geprest hebben jullie zouden geprest hebben zij zouden geprest hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
pres
|
DE: pressenSynoniemen: auspressen, auskeltern, ausdrücken, auswringen, drücken, keltern, drücken, andrücken, aneinanderpressen, aufeinanderpressen, komprimieren, zusammendrücken, zusammenpressen
EN: force, oblige, compel
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gepreßt pressend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich presse du preßt er preßt wir pressen ihr preßt sie; Sie pressen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gepreßt du hast gepreßt er hat gepreßt wir haben gepreßt ihr habt gepreßt sie; Sie haben gepreßt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich preßte du preßtest er preßte wir preßten ihr preßtet sie; Sie preßten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gepreßt du hattest gepreßt er hatte gepreßt wir hatten gepreßt ihr hattet gepreßt sie; Sie hatten gepreßt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde pressen du wirst pressen er wird pressen wir werden pressen ihr werdet pressen sie; Sie werden pressen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gepreßt haben du wirst gepreßt haben er wird gepreßt haben wir werden gepreßt haben ihr werdet gepreßt haben sie; Sie werden gepreßt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich presse du pressest er presse wir pressen ihr presset sie; Sie pressen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gepreßt du habest gepreßt er habe gepreßt wir haben gepreßt ihr habet gepreßt sie; Sie haben gepreßt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich preßte du preßtest er preßte wir preßten ihr preßtet sie; Sie preßten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gepreßt du hättest gepreßt er hätte gepreßt wir hätten gepreßt ihr hättet gepreßt sie; Sie hätten gepreßt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde pressen du würdest pressen er würde pressen wir würden pressen ihr würdet pressen sie; Sie würden pressen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gepreßt haben du würdest gepreßt haben er würde gepreßt haben wir würden gepreßt haben ihr würdet gepreßt haben sie; Sie würden gepreßt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du presse
|