NL: prekenSynoniemen: betogen, prediken, zedenmeesteren
DE: predigen
EN: deliver a sermon, preach
ES: predicar, sermonear
FR: prêcher, moraliser, sermonner, faire la morale
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepreekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik preek jij preekt hij preekt wij preken jullie preken zij preken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepreekt jij hebt gepreekt hij heeft gepreekt wij hebben gepreekt jullie hebben gepreekt zij hebben gepreekt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik preekte jij preekte hij preekte wij preekten jullie preekten zij preekten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepreekt jij had gepreekt hij had gepreekt wij hadden gepreekt jullie hadden gepreekt zij hadden gepreekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal preken jij zult preken hij zal preken wij zullen preken jullie zullen preken zij zullen preken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepreekt hebben jij zult gepreekt hebben hij zal gepreekt hebben wij zullen gepreekt hebben jullie zullen gepreekt hebben zij zullen gepreekt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou preken jij zou preken hij zou preken wij zouden preken jullie zouden preken zij zouden preken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepreekt hebben jij zou gepreekt hebben hij zou gepreekt hebben wij zouden gepreekt hebben jullie zouden gepreekt hebben zij zouden gepreekt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
preek
|