NL: pratenSynoniemen: babbelen, converseren, discussiëren, kakelen, klappen, kletsen, kouten, kwebbelen, kwetteren, spreken, praat, , fluisteren, kwekken, communiceren, zwammen, wauwelen, snateren
DE: sprechen, klatschen, erzählen, schwatzen, kommunizieren, babbeln, reden, plaudern, quatschen, tratschen
EN: speak, rattle, blab, have a conversation, relate, narrate, talk, chatter, tell, chat
ES: hablar, parlar, hacer correr la voz, contar, comunicar, difundir, parlotear, parlanchinear, conversar, delatar
FR: parler, dire, raconter, bavarder, jacasser, cancaner, discuter, papoter, clapoter, jaser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepraat
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik praat jij praat hij praat wij praten jullie praten zij praten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepraat jij hebt gepraat hij heeft gepraat wij hebben gepraat jullie hebben gepraat zij hebben gepraat
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik praatte jij praatte hij praatte wij praatten jullie praatten zij praatten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepraat jij had gepraat hij had gepraat wij hadden gepraat jullie hadden gepraat zij hadden gepraat
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal praten jij zult praten hij zal praten wij zullen praten jullie zullen praten zij zullen praten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepraat hebben jij zult gepraat hebben hij zal gepraat hebben wij zullen gepraat hebben jullie zullen gepraat hebben zij zullen gepraat hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou praten jij zou praten hij zou praten wij zouden praten jullie zouden praten zij zouden praten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepraat hebben jij zou gepraat hebben hij zou gepraat hebben wij zouden gepraat hebben jullie zouden gepraat hebben zij zouden gepraat hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
praat
|