Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

pralen vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





NL: pralen
Synoniemen: geuren, pronken, prijken, paraderen, schitteren

DE: prahlen, zur Schau stellen, zeigen, auffallen, glänzen, prunken
EN: show off
ES: ostentar, pavonearse, desplegar, brillar, exhibir, alardear, exponer, hacer gala de, hacerse interesante, hacer alarde de, alardear de, hacer ostentación de
FR: étaler, faire des chichis, fleurer, se pavaner, parader, faire étalage de

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gepraald
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik praal
jij praalt
hij praalt
wij pralen
jullie pralen
zij pralen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gepraald
jij hebt gepraald
hij heeft gepraald
wij hebben gepraald
jullie hebben gepraald
zij hebben gepraald
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik praalde
jij praalde
hij praalde
wij praalden
jullie praalden
zij praalden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gepraald
jij had gepraald
hij had gepraald
wij hadden gepraald
jullie hadden gepraald
zij hadden gepraald
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal pralen
jij zult pralen
hij zal pralen
wij zullen pralen
jullie zullen pralen
zij zullen pralen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gepraald hebben
jij zult gepraald hebben
hij zal gepraald hebben
wij zullen gepraald hebben
jullie zullen gepraald hebben
zij zullen gepraald hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou pralen
jij zou pralen
hij zou pralen
wij zouden pralen
jullie zouden pralen
zij zouden pralen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gepraald hebben
jij zou gepraald hebben
hij zou gepraald hebben
wij zouden gepraald hebben
jullie zouden gepraald hebben
zij zouden gepraald hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
praal

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/pralen

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English