NL: polijstenSynoniemen: bijschaven, gladschuren
DE: polieren, aufpolieren
EN: polish, buff
ES: pulir, alisar, bruñir
FR: polir, aplanir, planer, doucir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepolijst
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik polijst jij polijst hij polijst wij polijsten jullie polijsten zij polijsten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepolijst jij hebt gepolijst hij heeft gepolijst wij hebben gepolijst jullie hebben gepolijst zij hebben gepolijst
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik polijstte jij polijstte hij polijstte wij polijstten jullie polijstten zij polijstten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepolijst jij had gepolijst hij had gepolijst wij hadden gepolijst jullie hadden gepolijst zij hadden gepolijst
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal polijsten jij zult polijsten hij zal polijsten wij zullen polijsten jullie zullen polijsten zij zullen polijsten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepolijst hebben jij zult gepolijst hebben hij zal gepolijst hebben wij zullen gepolijst hebben jullie zullen gepolijst hebben zij zullen gepolijst hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou polijsten jij zou polijsten hij zou polijsten wij zouden polijsten jullie zouden polijsten zij zouden polijsten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepolijst hebben jij zou gepolijst hebben hij zou gepolijst hebben wij zouden gepolijst hebben jullie zouden gepolijst hebben zij zouden gepolijst hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
polijst
|