Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

polieren vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





DE: polieren

NL: polieren
Synoniemen: wrijven, poetsen, oppoetsen, opblinken, opwrijven

DE: aufpolieren, bohnern, saubermachen, rein machen, abwischen, aufpolieren, aufwaschen, bohnern, putzen, reinigen, schrubben, säubern, wienern
EN: smudge, strike, polish, brush up, shine up

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gepolierd
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik polier
jij poliert
hij poliert
wij polieren
jullie polieren
zij polieren
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gepolierd
jij hebt gepolierd
hij heeft gepolierd
wij hebben gepolierd
jullie hebben gepolierd
zij hebben gepolierd
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik polierde
jij polierde
hij polierde
wij polierden
jullie polierden
zij polierden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gepolierd
jij had gepolierd
hij had gepolierd
wij hadden gepolierd
jullie hadden gepolierd
zij hadden gepolierd
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal polieren
jij zult polieren
hij zal polieren
wij zullen polieren
jullie zullen polieren
zij zullen polieren
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gepolierd hebben
jij zult gepolierd hebben
hij zal gepolierd hebben
wij zullen gepolierd hebben
jullie zullen gepolierd hebben
zij zullen gepolierd hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou polieren
jij zou polieren
hij zou polieren
wij zouden polieren
jullie zouden polieren
zij zouden polieren
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gepolierd hebben
jij zou gepolierd hebben
hij zou gepolierd hebben
wij zouden gepolierd hebben
jullie zouden gepolierd hebben
zij zouden gepolierd hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
polier


DE: polieren
Synoniemen: aufpolieren, bohnern, saubermachen, rein machen, abwischen, aufpolieren, aufwaschen, bohnern, putzen, reinigen, schrubben, säubern, wienern

NL: wrijven, poetsen, oppoetsen, opblinken, opwrijven
EN: smudge, strike, polish, brush up, shine up
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
poliert
polierend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich poliere
du polierst
er poliert
wir polieren
ihr poliert
sie; Sie polieren
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe poliert
du hast poliert
er hat poliert
wir haben poliert
ihr habt poliert
sie; Sie haben poliert
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich polierte
du poliertest
er polierte
wir polierten
ihr poliertet
sie; Sie polierten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte poliert
du hattest poliert
er hatte poliert
wir hatten poliert
ihr hattet poliert
sie; Sie hatten poliert
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde polieren
du wirst polieren
er wird polieren
wir werden polieren
ihr werdet polieren
sie; Sie werden polieren
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde poliert haben
du wirst poliert haben
er wird poliert haben
wir werden poliert haben
ihr werdet poliert haben
sie; Sie werden poliert haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich poliere
du polierest
er poliere
wir polieren
ihr polieret
sie; Sie polieren
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe poliert
du habest poliert
er habe poliert
wir haben poliert
ihr habet poliert
sie; Sie haben poliert
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich polierte
du poliertest
er polierte
wir polierten
ihr poliertet
sie; Sie polierten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte poliert
du hättest poliert
er hätte poliert
wir hätten poliert
ihr hättet poliert
sie; Sie hätten poliert
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde polieren
du würdest polieren
er würde polieren
wir würden polieren
ihr würdet polieren
sie; Sie würden polieren
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde poliert haben
du würdest poliert haben
er würde poliert haben
wir würden poliert haben
ihr würdet poliert haben
sie; Sie würden poliert haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du poliere

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/polieren

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English