NL: poëtiseren U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepoëtiseerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik poëtiseer jij poëtiseert hij poëtiseert wij poëtiseren jullie poëtiseren zij poëtiseren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepoëtiseerd jij hebt gepoëtiseerd hij heeft gepoëtiseerd wij hebben gepoëtiseerd jullie hebben gepoëtiseerd zij hebben gepoëtiseerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik poëtiseerde jij poëtiseerde hij poëtiseerde wij poëtiseerden jullie poëtiseerden zij poëtiseerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepoëtiseerd jij had gepoëtiseerd hij had gepoëtiseerd wij hadden gepoëtiseerd jullie hadden gepoëtiseerd zij hadden gepoëtiseerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal poëtiseren jij zult poëtiseren hij zal poëtiseren wij zullen poëtiseren jullie zullen poëtiseren zij zullen poëtiseren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepoëtiseerd hebben jij zult gepoëtiseerd hebben hij zal gepoëtiseerd hebben wij zullen gepoëtiseerd hebben jullie zullen gepoëtiseerd hebben zij zullen gepoëtiseerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou poëtiseren jij zou poëtiseren hij zou poëtiseren wij zouden poëtiseren jullie zouden poëtiseren zij zouden poëtiseren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepoëtiseerd hebben jij zou gepoëtiseerd hebben hij zou gepoëtiseerd hebben wij zouden gepoëtiseerd hebben jullie zouden gepoëtiseerd hebben zij zouden gepoëtiseerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
poëtiseer
|