NL: plooienSynoniemen: regelen, rimpelen, vertrekken
DE: falzen, falten
EN: fold
ES: doblar, plegar, plisar
FR: plier
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geplooid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik plooi jij plooit hij plooit wij plooien jullie plooien zij plooien
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geplooid jij hebt geplooid hij heeft geplooid wij hebben geplooid jullie hebben geplooid zij hebben geplooid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik plooide jij plooide hij plooide wij plooiden jullie plooiden zij plooiden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geplooid jij had geplooid hij had geplooid wij hadden geplooid jullie hadden geplooid zij hadden geplooid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal plooien jij zult plooien hij zal plooien wij zullen plooien jullie zullen plooien zij zullen plooien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geplooid hebben jij zult geplooid hebben hij zal geplooid hebben wij zullen geplooid hebben jullie zullen geplooid hebben zij zullen geplooid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou plooien jij zou plooien hij zou plooien wij zouden plooien jullie zouden plooien zij zouden plooien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geplooid hebben jij zou geplooid hebben hij zou geplooid hebben wij zouden geplooid hebben jullie zouden geplooid hebben zij zouden geplooid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
plooi
|