NL: ploffenSynoniemen: exploderen, neerploffen, ontploffen, plompen, puffen, springen, verpaffen, verknallen
EN: plop down, plump down, flop down
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geploft
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik plof jij ploft hij ploft wij ploffen jullie ploffen zij ploffen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geploft jij hebt geploft hij heeft geploft wij hebben geploft jullie hebben geploft zij hebben geploft
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik plofte jij plofte hij plofte wij ploften jullie ploften zij ploften
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geploft jij had geploft hij had geploft wij hadden geploft jullie hadden geploft zij hadden geploft
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ploffen jij zult ploffen hij zal ploffen wij zullen ploffen jullie zullen ploffen zij zullen ploffen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geploft hebben jij zult geploft hebben hij zal geploft hebben wij zullen geploft hebben jullie zullen geploft hebben zij zullen geploft hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ploffen jij zou ploffen hij zou ploffen wij zouden ploffen jullie zouden ploffen zij zouden ploffen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geploft hebben jij zou geploft hebben hij zou geploft hebben wij zouden geploft hebben jullie zouden geploft hebben zij zouden geploft hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
plof
|