NL: ploeterenSynoniemen: plonzen, sappelen, zwoegen, sloven, afsloven, afjakkeren, afbeulen
DE: ploeteren (zich afsloven): schuften, sich abmühen, sich abrackern, sich abarbeiten
EN: ploeteren (zich afsloven): drudge, slave away, work to pieces, slave, put oneself out, work oneself to the bone, go out of one's way
ES: ploeteren (zich afsloven): afanarse, trajinar, ajetrearse
FR: ploeteren (zich afsloven): épuiser, peiner, se tuer, besogner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geploeterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ploeter jij ploetert hij ploetert wij ploeteren jullie ploeteren zij ploeteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geploeterd jij hebt geploeterd hij heeft geploeterd wij hebben geploeterd jullie hebben geploeterd zij hebben geploeterd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ploeterde jij ploeterde hij ploeterde wij ploeterden jullie ploeterden zij ploeterden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geploeterd jij had geploeterd hij had geploeterd wij hadden geploeterd jullie hadden geploeterd zij hadden geploeterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ploeteren jij zult ploeteren hij zal ploeteren wij zullen ploeteren jullie zullen ploeteren zij zullen ploeteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geploeterd hebben jij zult geploeterd hebben hij zal geploeterd hebben wij zullen geploeterd hebben jullie zullen geploeterd hebben zij zullen geploeterd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ploeteren jij zou ploeteren hij zou ploeteren wij zouden ploeteren jullie zouden ploeteren zij zouden ploeteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geploeterd hebben jij zou geploeterd hebben hij zou geploeterd hebben wij zouden geploeterd hebben jullie zouden geploeterd hebben zij zouden geploeterd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ploeter
|