NL: plenzenSynoniemen: gieten, gutsen, stortregenen, storten
DE: plenzen (stortregenen): gießen, schütten, strömen, sturzregnen, in Strömen regnen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geplensd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik plens jij plenst hij plenst wij plenzen jullie plenzen zij plenzen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geplensd jij hebt geplensd hij heeft geplensd wij hebben geplensd jullie hebben geplensd zij hebben geplensd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik plensde jij plensde hij plensde wij plensden jullie plensden zij plensden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geplensd jij had geplensd hij had geplensd wij hadden geplensd jullie hadden geplensd zij hadden geplensd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal plenzen jij zult plenzen hij zal plenzen wij zullen plenzen jullie zullen plenzen zij zullen plenzen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geplensd hebben jij zult geplensd hebben hij zal geplensd hebben wij zullen geplensd hebben jullie zullen geplensd hebben zij zullen geplensd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou plenzen jij zou plenzen hij zou plenzen wij zouden plenzen jullie zouden plenzen zij zouden plenzen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geplensd hebben jij zou geplensd hebben hij zou geplensd hebben wij zouden geplensd hebben jullie zouden geplensd hebben zij zouden geplensd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
plens
|