NL: pleisterenSynoniemen: stukadoren, bepleisteren
DE: pleisteren (van pleister voorzien): verputzen, kalken
EN: pleisteren (van pleister voorzien): parget, stucco, plaster
ES: pleisteren (van pleister voorzien): estucar, enlucir, enyesar
FR: pleisteren (van pleister voorzien): crépir, plâtrer, stuquer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepleisterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik pleister jij pleistert hij pleistert wij pleisteren jullie pleisteren zij pleisteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepleisterd jij hebt gepleisterd hij heeft gepleisterd wij hebben gepleisterd jullie hebben gepleisterd zij hebben gepleisterd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik pleisterde jij pleisterde hij pleisterde wij pleisterden jullie pleisterden zij pleisterden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepleisterd jij had gepleisterd hij had gepleisterd wij hadden gepleisterd jullie hadden gepleisterd zij hadden gepleisterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal pleisteren jij zult pleisteren hij zal pleisteren wij zullen pleisteren jullie zullen pleisteren zij zullen pleisteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepleisterd hebben jij zult gepleisterd hebben hij zal gepleisterd hebben wij zullen gepleisterd hebben jullie zullen gepleisterd hebben zij zullen gepleisterd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou pleisteren jij zou pleisteren hij zou pleisteren wij zouden pleisteren jullie zouden pleisteren zij zouden pleisteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepleisterd hebben jij zou gepleisterd hebben hij zou gepleisterd hebben wij zouden gepleisterd hebben jullie zouden gepleisterd hebben zij zouden gepleisterd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
pleister
|