NL: plegenSynoniemen: bedrijven, begaan, gewoon zijn, gewoonlijk zijn, uithalen
DE: pflegen, treiben, ausüben, betreiben
EN: commit, perpetrate
ES: cometer, perpetrar
FR: commettre, commettre un acte, faire, exécuter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepleegd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik pleeg jij pleegt hij pleegt wij plegen jullie plegen zij plegen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepleegd jij hebt gepleegd hij heeft gepleegd wij hebben gepleegd jullie hebben gepleegd zij hebben gepleegd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik pleegde jij pleegde hij pleegde wij pleegden jullie pleegden zij pleegden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepleegd jij had gepleegd hij had gepleegd wij hadden gepleegd jullie hadden gepleegd zij hadden gepleegd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal plegen jij zult plegen hij zal plegen wij zullen plegen jullie zullen plegen zij zullen plegen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepleegd hebben jij zult gepleegd hebben hij zal gepleegd hebben wij zullen gepleegd hebben jullie zullen gepleegd hebben zij zullen gepleegd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou plegen jij zou plegen hij zou plegen wij zouden plegen jullie zouden plegen zij zouden plegen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepleegd hebben jij zou gepleegd hebben hij zou gepleegd hebben wij zouden gepleegd hebben jullie zouden gepleegd hebben zij zouden gepleegd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
pleeg
|