NL: planteren U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geplanteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik planteer jij planteert hij planteert wij planteren jullie planteren zij planteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geplanteerd jij hebt geplanteerd hij heeft geplanteerd wij hebben geplanteerd jullie hebben geplanteerd zij hebben geplanteerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik planteerde jij planteerde hij planteerde wij planteerden jullie planteerden zij planteerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geplanteerd jij had geplanteerd hij had geplanteerd wij hadden geplanteerd jullie hadden geplanteerd zij hadden geplanteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal planteren jij zult planteren hij zal planteren wij zullen planteren jullie zullen planteren zij zullen planteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geplanteerd hebben jij zult geplanteerd hebben hij zal geplanteerd hebben wij zullen geplanteerd hebben jullie zullen geplanteerd hebben zij zullen geplanteerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou planteren jij zou planteren hij zou planteren wij zouden planteren jullie zouden planteren zij zouden planteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geplanteerd hebben jij zou geplanteerd hebben hij zou geplanteerd hebben wij zouden geplanteerd hebben jullie zouden geplanteerd hebben zij zouden geplanteerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
planteer
|