NL: plantenSynoniemen: neerzetten, poten, telen, verplanten, aanplanten, beplanting, groen, vegetatie, aanplant, voortbrengen, verbouwen, procreëren, opkweken, kweken, genereren, fokken, aankweken, gewas
DE: das Anbauen, das Anpflanzen, die Anpflanzung
EN: the growing, the plantation, the cultivating, the planting
ES: la plantación, el cultivo
FR: la plantation, la culture, la cultivation
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geplant
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik plant jij plant hij plant wij planten jullie planten zij planten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geplant jij hebt geplant hij heeft geplant wij hebben geplant jullie hebben geplant zij hebben geplant
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik plantte jij plantte hij plantte wij plantten jullie plantten zij plantten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geplant jij had geplant hij had geplant wij hadden geplant jullie hadden geplant zij hadden geplant
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal planten jij zult planten hij zal planten wij zullen planten jullie zullen planten zij zullen planten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geplant hebben jij zult geplant hebben hij zal geplant hebben wij zullen geplant hebben jullie zullen geplant hebben zij zullen geplant hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou planten jij zou planten hij zou planten wij zouden planten jullie zouden planten zij zouden planten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geplant hebben jij zou geplant hebben hij zou geplant hebben wij zouden geplant hebben jullie zouden geplant hebben zij zouden geplant hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
plant
|