NL: planerenSynoniemen: zweven
EN: plane
ES: planear
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geplaneerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik planeer jij planeert hij planeert wij planeren jullie planeren zij planeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geplaneerd jij hebt geplaneerd hij heeft geplaneerd wij hebben geplaneerd jullie hebben geplaneerd zij hebben geplaneerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik planeerde jij planeerde hij planeerde wij planeerden jullie planeerden zij planeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geplaneerd jij had geplaneerd hij had geplaneerd wij hadden geplaneerd jullie hadden geplaneerd zij hadden geplaneerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal planeren jij zult planeren hij zal planeren wij zullen planeren jullie zullen planeren zij zullen planeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geplaneerd hebben jij zult geplaneerd hebben hij zal geplaneerd hebben wij zullen geplaneerd hebben jullie zullen geplaneerd hebben zij zullen geplaneerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou planeren jij zou planeren hij zou planeren wij zouden planeren jullie zouden planeren zij zouden planeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geplaneerd hebben jij zou geplaneerd hebben hij zou geplaneerd hebben wij zouden geplaneerd hebben jullie zouden geplaneerd hebben zij zouden geplaneerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
planeer
|