NL: plakkenSynoniemen: aaneenplakken, klitten, kleven, vastplakken, vastlijmen, vastkleven, lijmen
DE: kleben, leimen, zusammenkleben, anleimen, heften, ankleben, festkleben
EN: stick, glue together, stick together, glue
ES: pegar, pegarse, encolar
FR: plaquer, engluer, se coller, coller ensemble
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geplakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik plak jij plakt hij plakt wij plakken jullie plakken zij plakken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geplakt jij hebt geplakt hij heeft geplakt wij hebben geplakt jullie hebben geplakt zij hebben geplakt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik plakte jij plakte hij plakte wij plakten jullie plakten zij plakten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geplakt jij had geplakt hij had geplakt wij hadden geplakt jullie hadden geplakt zij hadden geplakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal plakken jij zult plakken hij zal plakken wij zullen plakken jullie zullen plakken zij zullen plakken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geplakt hebben jij zult geplakt hebben hij zal geplakt hebben wij zullen geplakt hebben jullie zullen geplakt hebben zij zullen geplakt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou plakken jij zou plakken hij zou plakken wij zouden plakken jullie zouden plakken zij zouden plakken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geplakt hebben jij zou geplakt hebben hij zou geplakt hebben wij zouden geplakt hebben jullie zouden geplakt hebben zij zouden geplakt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
plak
|