NL: plagiëren U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geplagieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik plagieer jij plagieert hij plagieert wij plagiëren jullie plagiëren zij plagiëren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geplagieerd jij hebt geplagieerd hij heeft geplagieerd wij hebben geplagieerd jullie hebben geplagieerd zij hebben geplagieerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik plagieerde jij plagieerde hij plagieerde wij plagieerden jullie plagieerden zij plagieerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geplagieerd jij had geplagieerd hij had geplagieerd wij hadden geplagieerd jullie hadden geplagieerd zij hadden geplagieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal plagiëren jij zult plagiëren hij zal plagiëren wij zullen plagiëren jullie zullen plagiëren zij zullen plagiëren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geplagieerd hebben jij zult geplagieerd hebben hij zal geplagieerd hebben wij zullen geplagieerd hebben jullie zullen geplagieerd hebben zij zullen geplagieerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou plagiëren jij zou plagiëren hij zou plagiëren wij zouden plagiëren jullie zouden plagiëren zij zouden plagiëren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geplagieerd hebben jij zou geplagieerd hebben hij zou geplagieerd hebben wij zouden geplagieerd hebben jullie zouden geplagieerd hebben zij zouden geplagieerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
plagieer
|
DE: plagieren| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
plagiert plagierend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich plagiere du plagierst er plagiert wir plagieren ihr plagiert sie; Sie plagieren
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe plagiert du hast plagiert er hat plagiert wir haben plagiert ihr habt plagiert sie; Sie haben plagiert
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich plagierte du plagiertest er plagierte wir plagierten ihr plagiertet sie; Sie plagierten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte plagiert du hattest plagiert er hatte plagiert wir hatten plagiert ihr hattet plagiert sie; Sie hatten plagiert
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde plagieren du wirst plagieren er wird plagieren wir werden plagieren ihr werdet plagieren sie; Sie werden plagieren
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde plagiert haben du wirst plagiert haben er wird plagiert haben wir werden plagiert haben ihr werdet plagiert haben sie; Sie werden plagiert haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich plagiere du plagierest er plagiere wir plagieren ihr plagieret sie; Sie plagieren
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe plagiert du habest plagiert er habe plagiert wir haben plagiert ihr habet plagiert sie; Sie haben plagiert
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich plagierte du plagiertest er plagierte wir plagierten ihr plagiertet sie; Sie plagierten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte plagiert du hättest plagiert er hätte plagiert wir hätten plagiert ihr hättet plagiert sie; Sie hätten plagiert
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde plagieren du würdest plagieren er würde plagieren wir würden plagieren ihr würdet plagieren sie; Sie würden plagieren
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde plagiert haben du würdest plagiert haben er würde plagiert haben wir würden plagiert haben ihr würdet plagiert haben sie; Sie würden plagiert haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du plagiere
|