Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

plagieren vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





DE: plagieren

NL: plagiëren

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
geplagieerd
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik plagieer
jij plagieert
hij plagieert
wij plagiëren
jullie plagiëren
zij plagiëren
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb geplagieerd
jij hebt geplagieerd
hij heeft geplagieerd
wij hebben geplagieerd
jullie hebben geplagieerd
zij hebben geplagieerd
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik plagieerde
jij plagieerde
hij plagieerde
wij plagieerden
jullie plagieerden
zij plagieerden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had geplagieerd
jij had geplagieerd
hij had geplagieerd
wij hadden geplagieerd
jullie hadden geplagieerd
zij hadden geplagieerd
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal plagiëren
jij zult plagiëren
hij zal plagiëren
wij zullen plagiëren
jullie zullen plagiëren
zij zullen plagiëren
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal geplagieerd hebben
jij zult geplagieerd hebben
hij zal geplagieerd hebben
wij zullen geplagieerd hebben
jullie zullen geplagieerd hebben
zij zullen geplagieerd hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou plagiëren
jij zou plagiëren
hij zou plagiëren
wij zouden plagiëren
jullie zouden plagiëren
zij zouden plagiëren
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou geplagieerd hebben
jij zou geplagieerd hebben
hij zou geplagieerd hebben
wij zouden geplagieerd hebben
jullie zouden geplagieerd hebben
zij zouden geplagieerd hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
plagieer


DE: plagieren
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
plagiert
plagierend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich plagiere
du plagierst
er plagiert
wir plagieren
ihr plagiert
sie; Sie plagieren
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe plagiert
du hast plagiert
er hat plagiert
wir haben plagiert
ihr habt plagiert
sie; Sie haben plagiert
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich plagierte
du plagiertest
er plagierte
wir plagierten
ihr plagiertet
sie; Sie plagierten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte plagiert
du hattest plagiert
er hatte plagiert
wir hatten plagiert
ihr hattet plagiert
sie; Sie hatten plagiert
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde plagieren
du wirst plagieren
er wird plagieren
wir werden plagieren
ihr werdet plagieren
sie; Sie werden plagieren
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde plagiert haben
du wirst plagiert haben
er wird plagiert haben
wir werden plagiert haben
ihr werdet plagiert haben
sie; Sie werden plagiert haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich plagiere
du plagierest
er plagiere
wir plagieren
ihr plagieret
sie; Sie plagieren
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe plagiert
du habest plagiert
er habe plagiert
wir haben plagiert
ihr habet plagiert
sie; Sie haben plagiert
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich plagierte
du plagiertest
er plagierte
wir plagierten
ihr plagiertet
sie; Sie plagierten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte plagiert
du hättest plagiert
er hätte plagiert
wir hätten plagiert
ihr hättet plagiert
sie; Sie hätten plagiert
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde plagieren
du würdest plagieren
er würde plagieren
wir würden plagieren
ihr würdet plagieren
sie; Sie würden plagieren
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde plagiert haben
du würdest plagiert haben
er würde plagiert haben
wir würden plagiert haben
ihr würdet plagiert haben
sie; Sie würden plagiert haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du plagiere

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/plagieren

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English