|
|
| |
plagen vervoegen
|
DE: plagen
NL: plagenSynoniemen: plagen (jemandem lästig fallen): lastigvallen, teisteren
DE: zusetzen, bedrängen, belästigen, nachlaufen, verfolgen, quälen, foltern, heimsuchen, martern, peinigen, triezen, ärgern, verärgern, anöden, auf die Nerven gehen, belästigen, hänseln, in den Weg stellen, in die Quere kommen, irritieren, langweilen, U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
| | Voltooid deelwoord | | Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` | geplaagd
| | Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) | | Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. | ik plaag jij plaagt hij plaagt wij plagen jullie plagen zij plagen
| | Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. | ik heb geplaagd jij hebt geplaagd hij heeft geplaagd wij hebben geplaagd jullie hebben geplaagd zij hebben geplaagd
| | Onvoltooid verleden tijd (ovt) | | Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. | ik plaagde jij plaagde hij plaagde wij plaagden jullie plaagden zij plaagden
| | Voltooid verleden tijd (vvt) | | wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. | ik had geplaagd jij had geplaagd hij had geplaagd wij hadden geplaagd jullie hadden geplaagd zij hadden geplaagd
| | Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) | | Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. | ik zal plagen jij zult plagen hij zal plagen wij zullen plagen jullie zullen plagen zij zullen plagen
| | Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. | ik zal geplaagd hebben jij zult geplaagd hebben hij zal geplaagd hebben wij zullen geplaagd hebben jullie zullen geplaagd hebben zij zullen geplaagd hebben
| | Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. | ik zou plagen jij zou plagen hij zou plagen wij zouden plagen jullie zouden plagen zij zouden plagen
| | Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. | ik zou geplaagd hebben jij zou geplaagd hebben hij zou geplaagd hebben wij zouden geplaagd hebben jullie zouden geplaagd hebben zij zouden geplaagd hebben
| | Gebiedende wijs | | bv. `Ga weg!` | plaag
|
DE: plagenSynoniemen: zusetzen, bedrängen, belästigen, nachlaufen, verfolgen, quälen, foltern, heimsuchen, martern, peinigen, triezen, ärgern, verärgern, anöden, auf die Nerven gehen, belästigen, hänseln, in den Weg stellen, in die Quere kommen, irritieren, langweilen,
NL: plagen (jemandem lästig fallen): lastigvallen, teisteren | Partizip Perfekt & Präsens | `Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) | geplagt plagend
| | Indikativ Präsens | | der Indikativ = aantonende wijs | ich plage du plagst er plagt wir plagen ihr plagt sie; Sie plagen
| | Indikativ Perfekt | | der Indikativ = aantonende wijs | ich habe geplagt du hast geplagt er hat geplagt wir haben geplagt ihr habt geplagt sie; Sie haben geplagt
| | Indikativ Präteritum | | der Indikativ = aantonende wijs | ich plagte du plagtest er plagte wir plagten ihr plagtet sie; Sie plagten
| | Indikativ Plusquamperfekt | | der Indikativ = aantonende wijs | ich hatte geplagt du hattest geplagt er hatte geplagt wir hatten geplagt ihr hattet geplagt sie; Sie hatten geplagt
| | Indikativ Futur I | | der Indikativ = aantonende wijs | ich werde plagen du wirst plagen er wird plagen wir werden plagen ihr werdet plagen sie; Sie werden plagen
| | Indikativ Futur II | | der Indikativ = aantonende wijs | ich werde geplagt haben du wirst geplagt haben er wird geplagt haben wir werden geplagt haben ihr werdet geplagt haben sie; Sie werden geplagt haben
| | Konjunktiv I Präsens | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich plage du plagest er plage wir plagen ihr plaget sie; Sie plagen
| | Konjunktiv I Perfekt | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich habe geplagt du habest geplagt er habe geplagt wir haben geplagt ihr habet geplagt sie; Sie haben geplagt
| | Konjunktiv II Präsens | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich plagte du plagtest er plagte wir plagten ihr plagtet sie; Sie plagten
| | Konjunktiv II Perfekt | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich hätte geplagt du hättest geplagt er hätte geplagt wir hätten geplagt ihr hättet geplagt sie; Sie hätten geplagt
| | Konjunktiv II Futur I | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich würde plagen du würdest plagen er würde plagen wir würden plagen ihr würdet plagen sie; Sie würden plagen
| | Konjunktiv II Futur II | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich würde geplagt haben du würdest geplagt haben er würde geplagt haben wir würden geplagt haben ihr würdet geplagt haben sie; Sie würden geplagt haben
| | der Imperativ | | der Imperativ = gebiedende wijs | du plage
|
Directe link naar deze pagina:http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/plagenWerkwoorden A tot (en met) Z
Nederlandse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Duitse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Engelse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Franse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Spaanse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
|
Synoniemen
Vervoegen
Puzzelwoordenboek
Woorden.org
Encyclo.nl
|