NL: plaatsvindenSynoniemen: gebeuren, voorvallen, voordoen, passeren
DE: das Stattfinden
EN: the taking place, the happening
ES: el suceder
FR: le avoir lieu, le se passer, le se dérouler, le arriver
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
plaatsgevonden
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vind plaats jij vindt plaats hij vindt plaats wij vinden plaats jullie vinden plaats zij vinden plaats
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb plaatsgevonden jij hebt plaatsgevonden hij heeft plaatsgevonden wij hebben plaatsgevonden jullie hebben plaatsgevonden zij hebben plaatsgevonden
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vond plaats jij vond plaats hij vond plaats wij vonden plaats jullie vonden plaats zij vonden plaats
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had plaatsgevonden jij had plaatsgevonden hij had plaatsgevonden wij hadden plaatsgevonden jullie hadden plaatsgevonden zij hadden plaatsgevonden
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal plaatsvinden jij zult plaatsvinden hij zal plaatsvinden wij zullen plaatsvinden jullie zullen plaatsvinden zij zullen plaatsvinden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal plaatsgevonden hebben jij zult plaatsgevonden hebben hij zal plaatsgevonden hebben wij zullen plaatsgevonden hebben jullie zullen plaatsgevonden hebben zij zullen plaatsgevonden hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou plaatsvinden jij zou plaatsvinden hij zou plaatsvinden wij zouden plaatsvinden jullie zouden plaatsvinden zij zouden plaatsvinden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou plaatsgevonden hebben jij zou plaatsgevonden hebben hij zou plaatsgevonden hebben wij zouden plaatsgevonden hebben jullie zouden plaatsgevonden hebben zij zouden plaatsgevonden hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vind plaats
|