NL: pingelenSynoniemen: afdingen, marchanderen, handelen, dingen, sjacheren, onderhandelen, afpingelen
DE: pingelen (marchanderen): herunterhandeln, handeln, feilschen, abhandeln, abfeilschen
EN: pingelen (marchanderen): negotiate, bargain, mediate, haggle
ES: pingelen (marchanderen): negociar, regatear
FR: pingelen (marchanderen): négocier, rabattre, marchander, servir de médiateur dans
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepingeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik pingel jij pingelt hij pingelt wij pingelen jullie pingelen zij pingelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepingeld jij hebt gepingeld hij heeft gepingeld wij hebben gepingeld jullie hebben gepingeld zij hebben gepingeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik pingelde jij pingelde hij pingelde wij pingelden jullie pingelden zij pingelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepingeld jij had gepingeld hij had gepingeld wij hadden gepingeld jullie hadden gepingeld zij hadden gepingeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal pingelen jij zult pingelen hij zal pingelen wij zullen pingelen jullie zullen pingelen zij zullen pingelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepingeld hebben jij zult gepingeld hebben hij zal gepingeld hebben wij zullen gepingeld hebben jullie zullen gepingeld hebben zij zullen gepingeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou pingelen jij zou pingelen hij zou pingelen wij zouden pingelen jullie zouden pingelen zij zouden pingelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepingeld hebben jij zou gepingeld hebben hij zou gepingeld hebben wij zouden gepingeld hebben jullie zouden gepingeld hebben zij zouden gepingeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
pingel
|