EN: to peterNL: péter (exploser): ontploffen, springen, uit elkaar springen, ploffen, uit elkaar spatten
| Gerund |
| De Gerund is een ing-vorm die zelfstandig gebruikt kan worden. |
petering
|
| Present simple (ott) |
| Tegenwoordige tijd zonder ing-vorm. |
I peter you peter he peters we peter you peter they peter
|
| Present perfect (vtt) |
| Have/has + voltooid deelwoord / voltooid tegenwoordige tijd. |
I have petered you have petered he has petered we have petered you have petered they have petered
|
| Past Simple (ovt) |
| Verleden tijd zonder �ing vorm |
I petered you petered he petered we petered you petered they petered
|
| Past perfect (vvt) |
| Had + voltooid deelwoord / voltooid verleden tijd |
I had petered you had petered he had petered we had petered you had petered they had petered
|
| Present future (ottt) |
| Toekomst. Shall / Will + hele werkwoord |
I will peter you will peter he will peter we will peter you will peter they will peter
|
| Present future perfect (vttt) |
| Shall / Will + have + voltooid deelwoord. Het wordt gebruikt om aan te geven dat iets is afgerond op een nader tijdstip in de toekomst. |
I will have petered you will have petered he will have petered we will have petered you will have petered they will have petered
|
| Past future (ovtt) |
| Altijd gevormd door: should/would + inf. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
I would peter you would peter he would peter we would peter you would peter they would peter
|
| Past future perfect (vvtt) |
| Altijd gevormd door: should/would + have + volt. dw. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
I would have petered you would have petered he would have petered we would have petered you would have petered they would have petered
|
FR: péterNL: péter (exploser): ontploffen, springen, uit elkaar springen, ploffen, uit elkaar spatten
| Participe Passé |
|
pété
|
| Indicatif Présent |
| ott, als in `ik ga` |
je pète tu pètes il; elle pète nous pétons vous pétez ils; elles pètent
|
| Indicatif Passé Composé |
| Passé composé = voltooid tegenwoordige tijd. Als in `ik ben gegaan`. Le passé composé wordt gebruikt voor alle op zichzelf staande feiten, nieuwe, éénmalige gebeurtenissen, alle afgesloten handelingen. |
j`ai pété tu as pété il; elle a pété nous avons pété vous avez pété ils; elles ont pété
|
| Indicatif Imparfait |
| ovt, als in `ik ging`. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was. |
je pétais tu pétais il; elle pétait nous pétions vous pétiez ils; elles pétaient
|
| Indicatif Plus-Que-Parfait |
| Plus-que-parfait= voltooid verleden tijd. Als in `ik was gegaan` |
j`avais pété tu avais pété il; elle avait pété nous avions pété vous aviez pété ils; elles avaient pété
|
| Indicatif Passé Simple |
| vtt, als in `ik ging`. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
je pétai tu pétas il; elle péta nous pétâmes vous pétâtes ils; elles pétèrent
|
| Indicatif Passé Antérieur |
| vvtt, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`eus pété tu eus pété il; elle eut pété nous eûmes pété vous eûtes pété ils; elles eurent pété
|
| Indicatif Futur Simple |
| ottt, als in `ik zal gaan` |
je péterai tu péteras il; elle pétera nous péterons vous péterez ils; elles péteront
|
| Indicatif Futur Antérieur |
| vttt, als in `Ik zal gegaan zijn` |
j`aurai pété tu auras pété il; elle aura pété nous aurons pété vous aurez pété ils; elles auront pété
|
| Subjonctif Présent |
| Aanvoegende wijs, heden. Men gebruikt het subjonctif in een onderschikkende bijzin die begint met `que`, na werkwoorden die een gevoel weergeven: être content = blij zijn, être triste= bedroefd zijn |
je pète tu pètes il; elle pète nous pétions vous pétiez ils; elles pètent
|
| Subjonctif Passé |
| Aanvoegende wijs, verleden. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`aie pété tu aies pété il; elle ait pété nous ayons pété vous ayez pété ils; elles aient pété
|
| Subjonctif Imparfait |
| Aanvoegende wijs. Vooral gebruikt in de schrijftaal. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was |
je pétasse tu pétasses il; elle pétât nous pétassions vous pétassiez ils; elles pétassent
|
| Subjonctif Plus-Que-Parfait |
| Aanvoegende wijs, voltooid deelwoord. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`eusse pété tu eusses pété il; elle eût pété nous eussions pété vous eussiez pété ils; elles eussent pété
|
| Conditionnel Présent |
| ovtt. Met de conditionnel présent kan je een voorwaarde uitdrukken, als in `ik zou gaan` |
je péterais tu péterais il; elle péterait nous péterions vous péteriez ils; elles péteraient
|
| Conditionnel Passé |
| vvtt. De conditionnel passé gebruik je om een voorwaarde in het verleden te stellen, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`aurais pété tu aurais pété il; elle aurait pété nous aurions pété vous auriez pété ils; elles auraient pété
|
| Impératif Présent |
| gebiedende wijs als in `Ga!` |
(tu) pète, (nous) pétons (vous) pétez
|