NL: permitterenSynoniemen: autoriseren, laten, toelaten, toestaan, veroorloven, goedvinden, goedkeuren, fiatteren, vergunnen, toestemmen, inwilligen, gunnen, duren, dulden
EN: allow
FR: permettre, autoriser, accepter, accorder, concéder, tolérer, admettre, acquiescer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepermitteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik permitteer jij permitteert hij permitteert wij permitteren jullie permitteren zij permitteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepermitteerd jij hebt gepermitteerd hij heeft gepermitteerd wij hebben gepermitteerd jullie hebben gepermitteerd zij hebben gepermitteerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik permitteerde jij permitteerde hij permitteerde wij permitteerden jullie permitteerden zij permitteerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepermitteerd jij had gepermitteerd hij had gepermitteerd wij hadden gepermitteerd jullie hadden gepermitteerd zij hadden gepermitteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal permitteren jij zult permitteren hij zal permitteren wij zullen permitteren jullie zullen permitteren zij zullen permitteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepermitteerd hebben jij zult gepermitteerd hebben hij zal gepermitteerd hebben wij zullen gepermitteerd hebben jullie zullen gepermitteerd hebben zij zullen gepermitteerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou permitteren jij zou permitteren hij zou permitteren wij zouden permitteren jullie zouden permitteren zij zouden permitteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepermitteerd hebben jij zou gepermitteerd hebben hij zou gepermitteerd hebben wij zouden gepermitteerd hebben jullie zouden gepermitteerd hebben zij zouden gepermitteerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
permitteer
|