FR: pelleter| Participe Passé |
|
pelleté
|
| Indicatif Présent |
| ott, als in `ik ga` |
je pellette tu pellettes il; elle pellette nous pelletons vous pelletez ils; elles pellettent
|
| Indicatif Passé Composé |
| Passé composé = voltooid tegenwoordige tijd. Als in `ik ben gegaan`. Le passé composé wordt gebruikt voor alle op zichzelf staande feiten, nieuwe, éénmalige gebeurtenissen, alle afgesloten handelingen. |
j`ai pelleté tu as pelleté il; elle a pelleté nous avons pelleté vous avez pelleté ils; elles ont pelleté
|
| Indicatif Imparfait |
| ovt, als in `ik ging`. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was. |
je pelletais tu pelletais il; elle pelletait nous pelletions vous pelletiez ils; elles pelletaient
|
| Indicatif Plus-Que-Parfait |
| Plus-que-parfait= voltooid verleden tijd. Als in `ik was gegaan` |
j`avais pelleté tu avais pelleté il; elle avait pelleté nous avions pelleté vous aviez pelleté ils; elles avaient pelleté
|
| Indicatif Passé Simple |
| vtt, als in `ik ging`. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
je pelletai tu pelletas il; elle pelleta nous pelletâmes vous pelletâtes ils; elles pelletèrent
|
| Indicatif Passé Antérieur |
| vvtt, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`eus pelleté tu eus pelleté il; elle eut pelleté nous eûmes pelleté vous eûtes pelleté ils; elles eurent pelleté
|
| Indicatif Futur Simple |
| ottt, als in `ik zal gaan` |
je pelletterai tu pelletteras il; elle pellettera nous pelletterons vous pelletterez ils; elles pelletteront
|
| Indicatif Futur Antérieur |
| vttt, als in `Ik zal gegaan zijn` |
j`aurai pelleté tu auras pelleté il; elle aura pelleté nous aurons pelleté vous aurez pelleté ils; elles auront pelleté
|
| Subjonctif Présent |
| Aanvoegende wijs, heden. Men gebruikt het subjonctif in een onderschikkende bijzin die begint met `que`, na werkwoorden die een gevoel weergeven: être content = blij zijn, être triste= bedroefd zijn |
je pellette tu pellettes il; elle pellette nous pelletions vous pelletiez ils; elles pellettent
|
| Subjonctif Passé |
| Aanvoegende wijs, verleden. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`aie pelleté tu aies pelleté il; elle ait pelleté nous ayons pelleté vous ayez pelleté ils; elles aient pelleté
|
| Subjonctif Imparfait |
| Aanvoegende wijs. Vooral gebruikt in de schrijftaal. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was |
je pelletasse tu pelletasses il; elle pelletât nous pelletassions vous pelletassiez ils; elles pelletassent
|
| Subjonctif Plus-Que-Parfait |
| Aanvoegende wijs, voltooid deelwoord. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`eusse pelleté tu eusses pelleté il; elle eût pelleté nous eussions pelleté vous eussiez pelleté ils; elles eussent pelleté
|
| Conditionnel Présent |
| ovtt. Met de conditionnel présent kan je een voorwaarde uitdrukken, als in `ik zou gaan` |
je pelletterais tu pelletterais il; elle pelletterait nous pelletterions vous pelletteriez ils; elles pelletteraient
|
| Conditionnel Passé |
| vvtt. De conditionnel passé gebruik je om een voorwaarde in het verleden te stellen, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`aurais pelleté tu aurais pelleté il; elle aurait pelleté nous aurions pelleté vous auriez pelleté ils; elles auraient pelleté
|
| Impératif Présent |
| gebiedende wijs als in `Ga!` |
(tu) pellette, (nous) pelletons (vous) pelletez
|