NL: pellenSynoniemen: pellen (schälen): schillen, pellen, jassen
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik pel jij pelt hij pelt wij pellen jullie pellen zij pellen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepeld jij hebt gepeld hij heeft gepeld wij hebben gepeld jullie hebben gepeld zij hebben gepeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik pelde jij pelde hij pelde wij pelden jullie pelden zij pelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepeld jij had gepeld hij had gepeld wij hadden gepeld jullie hadden gepeld zij hadden gepeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal pellen jij zult pellen hij zal pellen wij zullen pellen jullie zullen pellen zij zullen pellen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepeld hebben jij zult gepeld hebben hij zal gepeld hebben wij zullen gepeld hebben jullie zullen gepeld hebben zij zullen gepeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou pellen jij zou pellen hij zou pellen wij zouden pellen jullie zouden pellen zij zouden pellen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepeld hebben jij zou gepeld hebben hij zou gepeld hebben wij zouden gepeld hebben jullie zouden gepeld hebben zij zouden gepeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
pel
|
DE: pellenNL: pellen (schälen): schillen, pellen, jassen
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gepellt pellend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich pelle du pellst er pellt wir pellen ihr pellt sie; Sie pellen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gepellt du hast gepellt er hat gepellt wir haben gepellt ihr habt gepellt sie; Sie haben gepellt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich pellte du pelltest er pellte wir pellten ihr pelltet sie; Sie pellten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gepellt du hattest gepellt er hatte gepellt wir hatten gepellt ihr hattet gepellt sie; Sie hatten gepellt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde pellen du wirst pellen er wird pellen wir werden pellen ihr werdet pellen sie; Sie werden pellen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gepellt haben du wirst gepellt haben er wird gepellt haben wir werden gepellt haben ihr werdet gepellt haben sie; Sie werden gepellt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich pelle du pellest er pelle wir pellen ihr pellet sie; Sie pellen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gepellt du habest gepellt er habe gepellt wir haben gepellt ihr habet gepellt sie; Sie haben gepellt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich pellte du pelltest er pellte wir pellten ihr pelltet sie; Sie pellten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gepellt du hättest gepellt er hätte gepellt wir hätten gepellt ihr hättet gepellt sie; Sie hätten gepellt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde pellen du würdest pellen er würde pellen wir würden pellen ihr würdet pellen sie; Sie würden pellen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gepellt haben du würdest gepellt haben er würde gepellt haben wir würden gepellt haben ihr würdet gepellt haben sie; Sie würden gepellt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du pelle
|