Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

pellen vervoegen




DE: pellen

NL: pellen
Synoniemen: pellen (schälen): schillen, pellen, jassen

U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gepeld
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik pel
jij pelt
hij pelt
wij pellen
jullie pellen
zij pellen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gepeld
jij hebt gepeld
hij heeft gepeld
wij hebben gepeld
jullie hebben gepeld
zij hebben gepeld
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik pelde
jij pelde
hij pelde
wij pelden
jullie pelden
zij pelden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gepeld
jij had gepeld
hij had gepeld
wij hadden gepeld
jullie hadden gepeld
zij hadden gepeld
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal pellen
jij zult pellen
hij zal pellen
wij zullen pellen
jullie zullen pellen
zij zullen pellen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gepeld hebben
jij zult gepeld hebben
hij zal gepeld hebben
wij zullen gepeld hebben
jullie zullen gepeld hebben
zij zullen gepeld hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou pellen
jij zou pellen
hij zou pellen
wij zouden pellen
jullie zouden pellen
zij zouden pellen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gepeld hebben
jij zou gepeld hebben
hij zou gepeld hebben
wij zouden gepeld hebben
jullie zouden gepeld hebben
zij zouden gepeld hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
pel


DE: pellen
NL: pellen (schälen): schillen, pellen, jassen
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gepellt
pellend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich pelle
du pellst
er pellt
wir pellen
ihr pellt
sie; Sie pellen
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gepellt
du hast gepellt
er hat gepellt
wir haben gepellt
ihr habt gepellt
sie; Sie haben gepellt
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich pellte
du pelltest
er pellte
wir pellten
ihr pelltet
sie; Sie pellten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte gepellt
du hattest gepellt
er hatte gepellt
wir hatten gepellt
ihr hattet gepellt
sie; Sie hatten gepellt
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde pellen
du wirst pellen
er wird pellen
wir werden pellen
ihr werdet pellen
sie; Sie werden pellen
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gepellt haben
du wirst gepellt haben
er wird gepellt haben
wir werden gepellt haben
ihr werdet gepellt haben
sie; Sie werden gepellt haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich pelle
du pellest
er pelle
wir pellen
ihr pellet
sie; Sie pellen
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gepellt
du habest gepellt
er habe gepellt
wir haben gepellt
ihr habet gepellt
sie; Sie haben gepellt
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich pellte
du pelltest
er pellte
wir pellten
ihr pelltet
sie; Sie pellten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gepellt
du hättest gepellt
er hätte gepellt
wir hätten gepellt
ihr hättet gepellt
sie; Sie hätten gepellt
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde pellen
du würdest pellen
er würde pellen
wir würden pellen
ihr würdet pellen
sie; Sie würden pellen
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gepellt haben
du würdest gepellt haben
er würde gepellt haben
wir würden gepellt haben
ihr würdet gepellt haben
sie; Sie würden gepellt haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du pelle

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/pellen

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald