NL: passerenSynoniemen: bekrachtigen, doorbrengen, doorgaan, gaan door, gebeuren, inhalen, overslaan, voorbijgaan, voorvallen, voordoen, plaatsvinden, revisie, voorbijrijden, wegcijferen, ontafschuiven, negeren
DE: Passieren, vorübergehen, überholen, vorbeifahren
EN: pass, overtake, move past, ride past, sail past
ES: pasar, adelantar
FR: passer, passer devant, dépasser, rattraper, rejoindre, doubler
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepasseerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik passeer jij passeert hij passeert wij passeren jullie passeren zij passeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepasseerd jij hebt gepasseerd hij heeft gepasseerd wij hebben gepasseerd jullie hebben gepasseerd zij hebben gepasseerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik passeerde jij passeerde hij passeerde wij passeerden jullie passeerden zij passeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepasseerd jij had gepasseerd hij had gepasseerd wij hadden gepasseerd jullie hadden gepasseerd zij hadden gepasseerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal passeren jij zult passeren hij zal passeren wij zullen passeren jullie zullen passeren zij zullen passeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepasseerd hebben jij zult gepasseerd hebben hij zal gepasseerd hebben wij zullen gepasseerd hebben jullie zullen gepasseerd hebben zij zullen gepasseerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou passeren jij zou passeren hij zou passeren wij zouden passeren jullie zouden passeren zij zouden passeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepasseerd hebben jij zou gepasseerd hebben hij zou gepasseerd hebben wij zouden gepasseerd hebben jullie zouden gepasseerd hebben zij zouden gepasseerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
passeer
|