Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

passen vervoegen




NL: passen
NL: passen

DE: passen
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gepaßt
passend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich passe
du paßt
er paßt
wir passen
ihr paßt
sie; Sie passen
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gepaßt
du hast gepaßt
er hat gepaßt
wir haben gepaßt
ihr habt gepaßt
sie; Sie haben gepaßt
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich paßte
du paßtest
er paßte
wir paßten
ihr paßtet
sie; Sie paßten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte gepaßt
du hattest gepaßt
er hatte gepaßt
wir hatten gepaßt
ihr hattet gepaßt
sie; Sie hatten gepaßt
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde passen
du wirst passen
er wird passen
wir werden passen
ihr werdet passen
sie; Sie werden passen
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gepaßt haben
du wirst gepaßt haben
er wird gepaßt haben
wir werden gepaßt haben
ihr werdet gepaßt haben
sie; Sie werden gepaßt haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich passe
du passest
er passe
wir passen
ihr passet
sie; Sie passen
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gepaßt
du habest gepaßt
er habe gepaßt
wir haben gepaßt
ihr habet gepaßt
sie; Sie haben gepaßt
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich paßte
du paßtest
er paßte
wir paßten
ihr paßtet
sie; Sie paßten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gepaßt
du hättest gepaßt
er hätte gepaßt
wir hätten gepaßt
ihr hättet gepaßt
sie; Sie hätten gepaßt
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde passen
du würdest passen
er würde passen
wir würden passen
ihr würdet passen
sie; Sie würden passen
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gepaßt haben
du würdest gepaßt haben
er würde gepaßt haben
wir würden gepaßt haben
ihr würdet gepaßt haben
sie; Sie würden gepaßt haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du passe


NL: passen

U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gepast
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik pas
jij past
hij past
wij passen
jullie passen
zij passen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gepast
jij hebt gepast
hij heeft gepast
wij hebben gepast
jullie hebben gepast
zij hebben gepast
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik paste
jij paste
hij paste
wij pasten
jullie pasten
zij pasten
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gepast
jij had gepast
hij had gepast
wij hadden gepast
jullie hadden gepast
zij hadden gepast
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal pasen
jij zult passen
hij zal passen
wij zullen passen
jullie zullen passen
zij zullen passen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gepast hebben
jij zult gepast hebben
hij zal gepast hebben
wij zullen gepasst hebben
jullie zullen gepast hebben
zij zullen gepast hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou passen
jij zou passen
hij zou passen
wij zouden passen
jullie zouden passen
zij zouden passen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gepast hebben
jij zou gepast hebben
hij zou gepast hebben
wij zouden gepast hebben
jullie zouden gepast hebben
zij zouden gepast hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
pas


NL: passen

U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gepasst
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik pass
jij passt
hij passt
wij passen
jullie passen
zij passen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gepasst
jij hebt gepasst
hij heeft gepasst
wij hebben gepasst
jullie hebben gepasst
zij hebben gepasst
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik passte
jij passte
hij passte
wij passten
jullie passten
zij passten
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gepasst
jij had gepasst
hij had gepasst
wij hadden gepasst
jullie hadden gepasst
zij hadden gepasst
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal passen
jij zult passen
hij zal passen
wij zullen passen
jullie zullen passen
zij zullen passen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gepasst hebben
jij zult gepasst hebben
hij zal gepasst hebben
wij zullen gepasst hebben
jullie zullen gepasst hebben
zij zullen gepasst hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou passen
jij zou passen
hij zou passen
wij zouden passen
jullie zouden passen
zij zouden passen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gepasst hebben
jij zou gepasst hebben
hij zou gepasst hebben
wij zouden gepasst hebben
jullie zouden gepasst hebben
zij zouden gepasst hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
pass

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/passen

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald