DE: passen| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gepaßt passend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich passe du paßt er paßt wir passen ihr paßt sie; Sie passen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gepaßt du hast gepaßt er hat gepaßt wir haben gepaßt ihr habt gepaßt sie; Sie haben gepaßt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich paßte du paßtest er paßte wir paßten ihr paßtet sie; Sie paßten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gepaßt du hattest gepaßt er hatte gepaßt wir hatten gepaßt ihr hattet gepaßt sie; Sie hatten gepaßt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde passen du wirst passen er wird passen wir werden passen ihr werdet passen sie; Sie werden passen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gepaßt haben du wirst gepaßt haben er wird gepaßt haben wir werden gepaßt haben ihr werdet gepaßt haben sie; Sie werden gepaßt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich passe du passest er passe wir passen ihr passet sie; Sie passen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gepaßt du habest gepaßt er habe gepaßt wir haben gepaßt ihr habet gepaßt sie; Sie haben gepaßt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich paßte du paßtest er paßte wir paßten ihr paßtet sie; Sie paßten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gepaßt du hättest gepaßt er hätte gepaßt wir hätten gepaßt ihr hättet gepaßt sie; Sie hätten gepaßt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde passen du würdest passen er würde passen wir würden passen ihr würdet passen sie; Sie würden passen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gepaßt haben du würdest gepaßt haben er würde gepaßt haben wir würden gepaßt haben ihr würdet gepaßt haben sie; Sie würden gepaßt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du passe
|
NL: passen U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepast
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik pas jij past hij past wij passen jullie passen zij passen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepast jij hebt gepast hij heeft gepast wij hebben gepast jullie hebben gepast zij hebben gepast
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik paste jij paste hij paste wij pasten jullie pasten zij pasten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepast jij had gepast hij had gepast wij hadden gepast jullie hadden gepast zij hadden gepast
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal pasen jij zult passen hij zal passen wij zullen passen jullie zullen passen zij zullen passen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepast hebben jij zult gepast hebben hij zal gepast hebben wij zullen gepasst hebben jullie zullen gepast hebben zij zullen gepast hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou passen jij zou passen hij zou passen wij zouden passen jullie zouden passen zij zouden passen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepast hebben jij zou gepast hebben hij zou gepast hebben wij zouden gepast hebben jullie zouden gepast hebben zij zouden gepast hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
pas
|
NL: passen U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepasst
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik pass jij passt hij passt wij passen jullie passen zij passen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepasst jij hebt gepasst hij heeft gepasst wij hebben gepasst jullie hebben gepasst zij hebben gepasst
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik passte jij passte hij passte wij passten jullie passten zij passten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepasst jij had gepasst hij had gepasst wij hadden gepasst jullie hadden gepasst zij hadden gepasst
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal passen jij zult passen hij zal passen wij zullen passen jullie zullen passen zij zullen passen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepasst hebben jij zult gepasst hebben hij zal gepasst hebben wij zullen gepasst hebben jullie zullen gepasst hebben zij zullen gepasst hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou passen jij zou passen hij zou passen wij zouden passen jullie zouden passen zij zouden passen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepasst hebben jij zou gepasst hebben hij zou gepasst hebben wij zouden gepasst hebben jullie zouden gepasst hebben zij zouden gepasst hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
pass
|