NL: participerenSynoniemen: deelnemen, meedoen
DE: participeren (deelnemen): teilnehmen, mitmachen, mittun, miterleben, teilhaben
EN: participeren (deelnemen): participate, take part, join in, join, co-operate
ES: participeren (deelnemen): participar, formar parte de, tomar parte en
FR: participeren (deelnemen): participer, prendre part à, se joindre, adhérer, s'affilier à
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geparticipeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik participeer jij participeert hij participeert wij participeren jullie participeren zij participeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geparticipeerd jij hebt geparticipeerd hij heeft geparticipeerd wij hebben geparticipeerd jullie hebben geparticipeerd zij hebben geparticipeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik participeerde jij participeerde hij participeerde wij participeerden jullie participeerden zij participeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geparticipeerd jij had geparticipeerd hij had geparticipeerd wij hadden geparticipeerd jullie hadden geparticipeerd zij hadden geparticipeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal participeren jij zult participeren hij zal participeren wij zullen participeren jullie zullen participeren zij zullen participeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geparticipeerd hebben jij zult geparticipeerd hebben hij zal geparticipeerd hebben wij zullen geparticipeerd hebben jullie zullen geparticipeerd hebben zij zullen geparticipeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou participeren jij zou participeren hij zou participeren wij zouden participeren jullie zouden participeren zij zouden participeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geparticipeerd hebben jij zou geparticipeerd hebben hij zou geparticipeerd hebben wij zouden geparticipeerd hebben jullie zouden geparticipeerd hebben zij zouden geparticipeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
participeer
|