NL: parodiëren U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geparodieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik parodieer jij parodieert hij parodieert wij parodiëren jullie parodiëren zij parodiëren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geparodieerd jij hebt geparodieerd hij heeft geparodieerd wij hebben geparodieerd jullie hebben geparodieerd zij hebben geparodieerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik parodieerde jij parodieerde hij parodieerde wij parodieerden jullie parodieerden zij parodieerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geparodieerd jij had geparodieerd hij had geparodieerd wij hadden geparodieerd jullie hadden geparodieerd zij hadden geparodieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal parodiëren jij zult parodiëren hij zal parodiëren wij zullen parodiëren jullie zullen parodiëren zij zullen parodiëren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geparodieerd hebben jij zult geparodieerd hebben hij zal geparodieerd hebben wij zullen geparodieerd hebben jullie zullen geparodieerd hebben zij zullen geparodieerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou parodiëren jij zou parodiëren hij zou parodiëren wij zouden parodiëren jullie zouden parodiëren zij zouden parodiëren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geparodieerd hebben jij zou geparodieerd hebben hij zou geparodieerd hebben wij zouden geparodieerd hebben jullie zouden geparodieerd hebben zij zouden geparodieerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
parodieer
|
DE: parodieren| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
parodiert parodierend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich parodiere du parodierst er parodiert wir parodieren ihr parodiert sie; Sie parodieren
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe parodiert du hast parodiert er hat parodiert wir haben parodiert ihr habt parodiert sie; Sie haben parodiert
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich parodierte du parodiertest er parodierte wir parodierten ihr parodiertet sie; Sie parodierten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte parodiert du hattest parodiert er hatte parodiert wir hatten parodiert ihr hattet parodiert sie; Sie hatten parodiert
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde parodieren du wirst parodieren er wird parodieren wir werden parodieren ihr werdet parodieren sie; Sie werden parodieren
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde parodiert haben du wirst parodiert haben er wird parodiert haben wir werden parodiert haben ihr werdet parodiert haben sie; Sie werden parodiert haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich parodiere du parodierest er parodiere wir parodieren ihr parodieret sie; Sie parodieren
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe parodiert du habest parodiert er habe parodiert wir haben parodiert ihr habet parodiert sie; Sie haben parodiert
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich parodierte du parodiertest er parodierte wir parodierten ihr parodiertet sie; Sie parodierten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte parodiert du hättest parodiert er hätte parodiert wir hätten parodiert ihr hättet parodiert sie; Sie hätten parodiert
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde parodieren du würdest parodieren er würde parodieren wir würden parodieren ihr würdet parodieren sie; Sie würden parodieren
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde parodiert haben du würdest parodiert haben er würde parodiert haben wir würden parodiert haben ihr würdet parodiert haben sie; Sie würden parodiert haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du parodiere
|