| Vervoegen: parkeren |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| geparkeerd |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik parkeer jij parkeert hij parkeert wij parkeren jullie parkeren zij parkeren |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb geparkeerd jij hebt geparkeerd hij heeft geparkeerd wij hebben geparkeerd jullie hebben geparkeerd zij hebben geparkeerd |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik parkeerde jij parkeerde hij parkeerde wij parkeerden jullie parkeerden zij parkeerden |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had geparkeerd jij had geparkeerd hij had geparkeerd wij hadden geparkeerd jullie hadden geparkeerd zij hadden geparkeerd |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal parkeren jij zult parkeren hij zal parkeren wij zullen parkeren jullie zullen parkeren zij zullen parkeren |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal geparkeerd hebben jij zult geparkeerd hebben hij zal geparkeerd hebben wij zullen geparkeerd hebben jullie zullen geparkeerd hebben zij zullen geparkeerd hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou parkeren jij zou parkeren hij zou parkeren wij zouden parkeren jullie zouden parkeren zij zouden parkeren |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou geparkeerd hebben jij zou geparkeerd hebben hij zou geparkeerd hebben wij zouden geparkeerd hebben jullie zouden geparkeerd hebben zij zouden geparkeerd hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| parkeer |