NL: parfumeren U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geparfumeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik parfumeer jij parfumeert hij parfumeert wij parfumeren jullie parfumeren zij parfumeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geparfumeerd jij hebt geparfumeerd hij heeft geparfumeerd wij hebben geparfumeerd jullie hebben geparfumeerd zij hebben geparfumeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik parfumeerde jij parfumeerde hij parfumeerde wij parfumeerden jullie parfumeerden zij parfumeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geparfumeerd jij had geparfumeerd hij had geparfumeerd wij hadden geparfumeerd jullie hadden geparfumeerd zij hadden geparfumeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal parfumeren jij zult parfumeren hij zal parfumeren wij zullen parfumeren jullie zullen parfumeren zij zullen parfumeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geparfumeerd hebben jij zult geparfumeerd hebben hij zal geparfumeerd hebben wij zullen geparfumeerd hebben jullie zullen geparfumeerd hebben zij zullen geparfumeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou parfumeren jij zou parfumeren hij zou parfumeren wij zouden parfumeren jullie zouden parfumeren zij zouden parfumeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geparfumeerd hebben jij zou geparfumeerd hebben hij zou geparfumeerd hebben wij zouden geparfumeerd hebben jullie zouden geparfumeerd hebben zij zouden geparfumeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
parfumeer
|