NL: parerenSynoniemen: afwenden, afweren, terugslaan, weren, afkeren, afdraaien
DE: abhalten, abwehren
EN: parry, ward off, foil, field
ES: desviar, parar
FR: parer, empêcher, écarter, défendre, détourner, dévier
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepareerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik pareer jij pareert hij pareert wij pareren jullie pareren zij pareren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepareerd jij hebt gepareerd hij heeft gepareerd wij hebben gepareerd jullie hebben gepareerd zij hebben gepareerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik pareerde jij pareerde hij pareerde wij pareerden jullie pareerden zij pareerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepareerd jij had gepareerd hij had gepareerd wij hadden gepareerd jullie hadden gepareerd zij hadden gepareerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal pareren jij zult pareren hij zal pareren wij zullen pareren jullie zullen pareren zij zullen pareren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepareerd hebben jij zult gepareerd hebben hij zal gepareerd hebben wij zullen gepareerd hebben jullie zullen gepareerd hebben zij zullen gepareerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou pareren jij zou pareren hij zou pareren wij zouden pareren jullie zouden pareren zij zouden pareren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepareerd hebben jij zou gepareerd hebben hij zou gepareerd hebben wij zouden gepareerd hebben jullie zouden gepareerd hebben zij zouden gepareerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
pareer
|