NL: parasailen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geparasaild
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik parasail jij parasailt hij parasailt wij parasailen jullie parasailen zij parasailen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geparasaild jij hebt geparasaild hij heeft geparasaild wij hebben geparasaild jullie hebben geparasaild zij hebben geparasaild
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik parasailde jij parasailde hij parasailde wij parasailden jullie parasailden zij parasailden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geparasaild jij had geparasaild hij had geparasaild wij hadden geparasaild jullie hadden geparasaild zij hadden geparasaild
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal parasailen jij zult parasailen hij zal parasailen wij zullen parasailen jullie zullen parasailen zij zullen parasailen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geparasaild hebben jij zult geparasaild hebben hij zal geparasaild hebben wij zullen geparasaild hebben jullie zullen geparasaild hebben zij zullen geparasaild hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou parasailen jij zou parasailen hij zou parasailen wij zouden parasailen jullie zouden parasailen zij zouden parasailen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geparasaild hebben jij zou geparasaild hebben hij zou geparasaild hebben wij zouden geparasaild hebben jullie zouden geparasaild hebben zij zouden geparasaild hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
parasail
|