| Vervoegen: parachuteren |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| geparachuteerd |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik parachuteer jij parachuteert hij parachuteert wij parachuteren jullie parachuteren zij parachuteren |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb geparachuteerd jij hebt geparachuteerd hij heeft geparachuteerd wij hebben geparachuteerd jullie hebben geparachuteerd zij hebben geparachuteerd |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik parachuteerde jij parachuteerde hij parachuteerde wij parachuteerden jullie parachuteerden zij parachuteerden |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had geparachuteerd jij had geparachuteerd hij had geparachuteerd wij hadden geparachuteerd jullie hadden geparachuteerd zij hadden geparachuteerd |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal parachuteren jij zult parachuteren hij zal parachuteren wij zullen parachuteren jullie zullen parachuteren zij zullen parachuteren |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal geparachuteerd hebben jij zult geparachuteerd hebben hij zal geparachuteerd hebben wij zullen geparachuteerd hebben jullie zullen geparachuteerd hebben zij zullen geparachuteerd hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou parachuteren jij zou parachuteren hij zou parachuteren wij zouden parachuteren jullie zouden parachuteren zij zouden parachuteren |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou geparachuteerd hebben jij zou geparachuteerd hebben hij zou geparachuteerd hebben wij zouden geparachuteerd hebben jullie zouden geparachuteerd hebben zij zouden geparachuteerd hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| parachuteer |