NL: pappenSynoniemen: koeken
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepapt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik pap jij papt hij papt wij pappen jullie pappen zij pappen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepapt jij hebt gepapt hij heeft gepapt wij hebben gepapt jullie hebben gepapt zij hebben gepapt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik papte jij papte hij papte wij papten jullie papten zij papten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepapt jij had gepapt hij had gepapt wij hadden gepapt jullie hadden gepapt zij hadden gepapt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal pappen jij zult pappen hij zal pappen wij zullen pappen jullie zullen pappen zij zullen pappen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepapt hebben jij zult gepapt hebben hij zal gepapt hebben wij zullen gepapt hebben jullie zullen gepapt hebben zij zullen gepapt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou pappen jij zou pappen hij zou pappen wij zouden pappen jullie zouden pappen zij zouden pappen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepapt hebben jij zou gepapt hebben hij zou gepapt hebben wij zouden gepapt hebben jullie zouden gepapt hebben zij zouden gepapt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
pap
|
DE: pappenNL: koeken
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gepappt pappend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich pappe du pappst er pappt wir pappen ihr pappt sie; Sie pappen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gepappt du hast gepappt er hat gepappt wir haben gepappt ihr habt gepappt sie; Sie haben gepappt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich pappte du papptest er pappte wir pappten ihr papptet sie; Sie pappten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gepappt du hattest gepappt er hatte gepappt wir hatten gepappt ihr hattet gepappt sie; Sie hatten gepappt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde pappen du wirst pappen er wird pappen wir werden pappen ihr werdet pappen sie; Sie werden pappen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gepappt haben du wirst gepappt haben er wird gepappt haben wir werden gepappt haben ihr werdet gepappt haben sie; Sie werden gepappt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich pappe du pappest er pappe wir pappen ihr pappet sie; Sie pappen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gepappt du habest gepappt er habe gepappt wir haben gepappt ihr habet gepappt sie; Sie haben gepappt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich pappte du papptest er pappte wir pappten ihr papptet sie; Sie pappten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gepappt du hättest gepappt er hätte gepappt wir hätten gepappt ihr hättet gepappt sie; Sie hätten gepappt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde pappen du würdest pappen er würde pappen wir würden pappen ihr würdet pappen sie; Sie würden pappen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gepappt haben du würdest gepappt haben er würde gepappt haben wir würden gepappt haben ihr würdet gepappt haben sie; Sie würden gepappt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du pappe
|