NL: panikeren U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepanikeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik panikeer jij panikeert hij panikeert wij panikeren jullie panikeren zij panikeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepanikeerd jij hebt gepanikeerd hij heeft gepanikeerd wij hebben gepanikeerd jullie hebben gepanikeerd zij hebben gepanikeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik panikeerde jij panikeerde hij panikeerde wij panikeerden jullie panikeerden zij panikeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepanikeerd jij had gepanikeerd hij had gepanikeerd wij hadden gepanikeerd jullie hadden gepanikeerd zij hadden gepanikeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal panikeren jij zult panikeren hij zal panikeren wij zullen panikeren jullie zullen panikeren zij zullen panikeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepanikeerd hebben jij zult gepanikeerd hebben hij zal gepanikeerd hebben wij zullen gepanikeerd hebben jullie zullen gepanikeerd hebben zij zullen gepanikeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou panikeren jij zou panikeren hij zou panikeren wij zouden panikeren jullie zouden panikeren zij zouden panikeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepanikeerd hebben jij zou gepanikeerd hebben hij zou gepanikeerd hebben wij zouden gepanikeerd hebben jullie zouden gepanikeerd hebben zij zouden gepanikeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
panikeer
|