NL: paffenDE: rauchen, qualmen
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepaft
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik paf jij paft hij paft wij paffen jullie paffen zij paffen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepaft jij hebt gepaft hij heeft gepaft wij hebben gepaft jullie hebben gepaft zij hebben gepaft
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik pafte jij pafte hij pafte wij paften jullie paften zij paften
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepaft jij had gepaft hij had gepaft wij hadden gepaft jullie hadden gepaft zij hadden gepaft
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal paffen jij zult paffen hij zal paffen wij zullen paffen jullie zullen paffen zij zullen paffen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepaft hebben jij zult gepaft hebben hij zal gepaft hebben wij zullen gepaft hebben jullie zullen gepaft hebben zij zullen gepaft hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou paffen jij zou paffen hij zou paffen wij zouden paffen jullie zouden paffen zij zouden paffen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepaft hebben jij zou gepaft hebben hij zou gepaft hebben wij zouden gepaft hebben jullie zouden gepaft hebben zij zouden gepaft hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
paf
|
DE: paffenSynoniemen: rauchen, qualmen
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gepafft paffend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich paffe du paffst er pafft wir paffen ihr pafft sie; Sie paffen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gepafft du hast gepafft er hat gepafft wir haben gepafft ihr habt gepafft sie; Sie haben gepafft
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich paffte du pafftest er paffte wir pafften ihr pafftet sie; Sie pafften
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gepafft du hattest gepafft er hatte gepafft wir hatten gepafft ihr hattet gepafft sie; Sie hatten gepafft
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde paffen du wirst paffen er wird paffen wir werden paffen ihr werdet paffen sie; Sie werden paffen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gepafft haben du wirst gepafft haben er wird gepafft haben wir werden gepafft haben ihr werdet gepafft haben sie; Sie werden gepafft haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich paffe du paffest er paffe wir paffen ihr paffet sie; Sie paffen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gepafft du habest gepafft er habe gepafft wir haben gepafft ihr habet gepafft sie; Sie haben gepafft
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich paffte du pafftest er paffte wir pafften ihr pafftet sie; Sie pafften
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gepafft du hättest gepafft er hätte gepafft wir hätten gepafft ihr hättet gepafft sie; Sie hätten gepafft
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde paffen du würdest paffen er würde paffen wir würden paffen ihr würdet paffen sie; Sie würden paffen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gepafft haben du würdest gepafft haben er würde gepafft haben wir würden gepafft haben ihr würdet gepafft haben sie; Sie würden gepafft haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du paffe
|