MWB Online woordenboek
 

Vertalen

Woorden (Hoofdpagina)
Tekst
Vaakst vertaald

Ontspanning

Puzzelwoorden
Woordspellen
Rijmwoordenboek

Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

Spelling

Spellingalfabet
Goed en Fout
Spellingcontrole

Varia

Dialecten
Encyclopedie
Symbolen en ALT-codes
Tellen in andere talen
Themawoordenboeken
This site in English

Taalportalen

NL | DE | EN | ES | FR

De website

Partners | Contact | Privacy

Vervoegen: paffen

NL: paffen
DE: paffen

NL: paffen
DE: rauchen, qualmen
Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gepaft
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik paf
jij paft
hij paft
wij paffen
jullie paffen
zij paffen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gepaft
jij hebt gepaft
hij heeft gepaft
wij hebben gepaft
jullie hebben gepaft
zij hebben gepaft
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik pafte
jij pafte
hij pafte
wij paften
jullie paften
zij paften
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gepaft
jij had gepaft
hij had gepaft
wij hadden gepaft
jullie hadden gepaft
zij hadden gepaft
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal paffen
jij zult paffen
hij zal paffen
wij zullen paffen
jullie zullen paffen
zij zullen paffen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gepaft hebben
jij zult gepaft hebben
hij zal gepaft hebben
wij zullen gepaft hebben
jullie zullen gepaft hebben
zij zullen gepaft hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou paffen
jij zou paffen
hij zou paffen
wij zouden paffen
jullie zouden paffen
zij zouden paffen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gepaft hebben
jij zou gepaft hebben
hij zou gepaft hebben
wij zouden gepaft hebben
jullie zouden gepaft hebben
zij zouden gepaft hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
paf


DE: paffen
Synoniemen: rauchen, qualmen
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gepafft
paffend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich paffe
du paffst
er pafft
wir paffen
ihr pafft
sie; Sie paffen
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gepafft
du hast gepafft
er hat gepafft
wir haben gepafft
ihr habt gepafft
sie; Sie haben gepafft
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich paffte
du pafftest
er paffte
wir pafften
ihr pafftet
sie; Sie pafften
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte gepafft
du hattest gepafft
er hatte gepafft
wir hatten gepafft
ihr hattet gepafft
sie; Sie hatten gepafft
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde paffen
du wirst paffen
er wird paffen
wir werden paffen
ihr werdet paffen
sie; Sie werden paffen
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gepafft haben
du wirst gepafft haben
er wird gepafft haben
wir werden gepafft haben
ihr werdet gepafft haben
sie; Sie werden gepafft haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich paffe
du paffest
er paffe
wir paffen
ihr paffet
sie; Sie paffen
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gepafft
du habest gepafft
er habe gepafft
wir haben gepafft
ihr habet gepafft
sie; Sie haben gepafft
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich paffte
du pafftest
er paffte
wir pafften
ihr pafftet
sie; Sie pafften
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gepafft
du hättest gepafft
er hätte gepafft
wir hätten gepafft
ihr hättet gepafft
sie; Sie hätten gepafft
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde paffen
du würdest paffen
er würde paffen
wir würden paffen
ihr würdet paffen
sie; Sie würden paffen
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gepafft haben
du würdest gepafft haben
er würde gepafft haben
wir würden gepafft haben
ihr würdet gepafft haben
sie; Sie würden gepafft haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du paffe

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/paffen


Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Vertalingen & synoniemen Interglot Dictionary © Interglot 2007


Vervoeg

Typ een werkwoordsvorm in en klik op de `Vervoeg` knop.

Vertalen

Naar

Spelling (woord)

Vervoegen

Synoniemen

Werkwoord vervoegen

Van Dale taalweb
© Mijnwoordenboek 2008