| Vervoegen: paffen |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| gepaft |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik paf jij paft hij paft wij paffen jullie paffen zij paffen |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb gepaft jij hebt gepaft hij heeft gepaft wij hebben gepaft jullie hebben gepaft zij hebben gepaft |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik pafte jij pafte hij pafte wij paften jullie paften zij paften |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had gepaft jij had gepaft hij had gepaft wij hadden gepaft jullie hadden gepaft zij hadden gepaft |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal paffen jij zult paffen hij zal paffen wij zullen paffen jullie zullen paffen zij zullen paffen |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal gepaft hebben jij zult gepaft hebben hij zal gepaft hebben wij zullen gepaft hebben jullie zullen gepaft hebben zij zullen gepaft hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou paffen jij zou paffen hij zou paffen wij zouden paffen jullie zouden paffen zij zouden paffen |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou gepaft hebben jij zou gepaft hebben hij zou gepaft hebben wij zouden gepaft hebben jullie zouden gepaft hebben zij zouden gepaft hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| paf |
| Partizip Perfekt & Präsens |
| `Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
| gepafft paffend |
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
| ich paffe du paffst er pafft wir paffen ihr pafft sie; Sie paffen |
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
| ich habe gepafft du hast gepafft er hat gepafft wir haben gepafft ihr habt gepafft sie; Sie haben gepafft |
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
| ich paffte du pafftest er paffte wir pafften ihr pafftet sie; Sie pafften |
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
| ich hatte gepafft du hattest gepafft er hatte gepafft wir hatten gepafft ihr hattet gepafft sie; Sie hatten gepafft |
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
| ich werde paffen du wirst paffen er wird paffen wir werden paffen ihr werdet paffen sie; Sie werden paffen |
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
| ich werde gepafft haben du wirst gepafft haben er wird gepafft haben wir werden gepafft haben ihr werdet gepafft haben sie; Sie werden gepafft haben |
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
| ich paffe du paffest er paffe wir paffen ihr paffet sie; Sie paffen |
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
| ich habe gepafft du habest gepafft er habe gepafft wir haben gepafft ihr habet gepafft sie; Sie haben gepafft |
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
| ich paffte du pafftest er paffte wir pafften ihr pafftet sie; Sie pafften |
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
| ich hätte gepafft du hättest gepafft er hätte gepafft wir hätten gepafft ihr hättet gepafft sie; Sie hätten gepafft |
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
| ich würde paffen du würdest paffen er würde paffen wir würden paffen ihr würdet paffen sie; Sie würden paffen |
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
| ich würde gepafft haben du würdest gepafft haben er würde gepafft haben wir würden gepafft haben ihr würdet gepafft haben sie; Sie würden gepafft haben |
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
| du paffe |