NL: pachtenSynoniemen: pachten
EN: rent, lease, farm
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepacht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik pacht jij pacht hij pacht wij pachten jullie pachten zij pachten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepacht jij hebt gepacht hij heeft gepacht wij hebben gepacht jullie hebben gepacht zij hebben gepacht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik pachtte jij pachtte hij pachtte wij pachtten jullie pachtten zij pachtten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepacht jij had gepacht hij had gepacht wij hadden gepacht jullie hadden gepacht zij hadden gepacht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal pachten jij zult pachten hij zal pachten wij zullen pachten jullie zullen pachten zij zullen pachten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepacht hebben jij zult gepacht hebben hij zal gepacht hebben wij zullen gepacht hebben jullie zullen gepacht hebben zij zullen gepacht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou pachten jij zou pachten hij zou pachten wij zouden pachten jullie zouden pachten zij zouden pachten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepacht hebben jij zou gepacht hebben hij zou gepacht hebben wij zouden gepacht hebben jullie zouden gepacht hebben zij zouden gepacht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
pacht
|
DE: pachtenNL: pachten
EN: rent, lease, farm
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gepachtet pachtend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich pachte du pachtest er pachtet wir pachten ihr pachtet sie; Sie pachten
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gepachtet du hast gepachtet er hat gepachtet wir haben gepachtet ihr habt gepachtet sie; Sie haben gepachtet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich pachtete du pachtetest er pachtete wir pachteten ihr pachtetet sie; Sie pachteten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gepachtet du hattest gepachtet er hatte gepachtet wir hatten gepachtet ihr hattet gepachtet sie; Sie hatten gepachtet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde pachten du wirst pachten er wird pachten wir werden pachten ihr werdet pachten sie; Sie werden pachten
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gepachtet haben du wirst gepachtet haben er wird gepachtet haben wir werden gepachtet haben ihr werdet gepachtet haben sie; Sie werden gepachtet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich pachte du pachtest er pachte wir pachten ihr pachtet sie; Sie pachten
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gepachtet du habest gepachtet er habe gepachtet wir haben gepachtet ihr habet gepachtet sie; Sie haben gepachtet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich pachtete du pachtetest er pachtete wir pachteten ihr pachtetet sie; Sie pachteten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gepachtet du hättest gepachtet er hätte gepachtet wir hätten gepachtet ihr hättet gepachtet sie; Sie hätten gepachtet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde pachten du würdest pachten er würde pachten wir würden pachten ihr würdet pachten sie; Sie würden pachten
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gepachtet haben du würdest gepachtet haben er würde gepachtet haben wir würden gepachtet haben ihr würdet gepachtet haben sie; Sie würden gepachtet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du pachte
|