Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

pachten vervoegen




DE: pachten

NL: pachten
Synoniemen: pachten

EN: rent, lease, farm

U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gepacht
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik pacht
jij pacht
hij pacht
wij pachten
jullie pachten
zij pachten
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gepacht
jij hebt gepacht
hij heeft gepacht
wij hebben gepacht
jullie hebben gepacht
zij hebben gepacht
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik pachtte
jij pachtte
hij pachtte
wij pachtten
jullie pachtten
zij pachtten
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gepacht
jij had gepacht
hij had gepacht
wij hadden gepacht
jullie hadden gepacht
zij hadden gepacht
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal pachten
jij zult pachten
hij zal pachten
wij zullen pachten
jullie zullen pachten
zij zullen pachten
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gepacht hebben
jij zult gepacht hebben
hij zal gepacht hebben
wij zullen gepacht hebben
jullie zullen gepacht hebben
zij zullen gepacht hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou pachten
jij zou pachten
hij zou pachten
wij zouden pachten
jullie zouden pachten
zij zouden pachten
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gepacht hebben
jij zou gepacht hebben
hij zou gepacht hebben
wij zouden gepacht hebben
jullie zouden gepacht hebben
zij zouden gepacht hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
pacht


DE: pachten
NL: pachten
EN: rent, lease, farm
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gepachtet
pachtend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich pachte
du pachtest
er pachtet
wir pachten
ihr pachtet
sie; Sie pachten
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gepachtet
du hast gepachtet
er hat gepachtet
wir haben gepachtet
ihr habt gepachtet
sie; Sie haben gepachtet
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich pachtete
du pachtetest
er pachtete
wir pachteten
ihr pachtetet
sie; Sie pachteten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte gepachtet
du hattest gepachtet
er hatte gepachtet
wir hatten gepachtet
ihr hattet gepachtet
sie; Sie hatten gepachtet
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde pachten
du wirst pachten
er wird pachten
wir werden pachten
ihr werdet pachten
sie; Sie werden pachten
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gepachtet haben
du wirst gepachtet haben
er wird gepachtet haben
wir werden gepachtet haben
ihr werdet gepachtet haben
sie; Sie werden gepachtet haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich pachte
du pachtest
er pachte
wir pachten
ihr pachtet
sie; Sie pachten
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gepachtet
du habest gepachtet
er habe gepachtet
wir haben gepachtet
ihr habet gepachtet
sie; Sie haben gepachtet
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich pachtete
du pachtetest
er pachtete
wir pachteten
ihr pachtetet
sie; Sie pachteten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gepachtet
du hättest gepachtet
er hätte gepachtet
wir hätten gepachtet
ihr hättet gepachtet
sie; Sie hätten gepachtet
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde pachten
du würdest pachten
er würde pachten
wir würden pachten
ihr würdet pachten
sie; Sie würden pachten
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gepachtet haben
du würdest gepachtet haben
er würde gepachtet haben
wir würden gepachtet haben
ihr würdet gepachtet haben
sie; Sie würden gepachtet haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du pachte

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/pachten

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald