NL: overwegenSynoniemen: afwegen, bekijken, beschouwen, overdenken, overheersen, overleggen, denken, nagaan, considereren, beraadslagen, wikken, wegen
DE: abwägen, veranschlagen, bestimmen, schätzen, ausmachen, ermessen, überschlagen, taxieren
EN: consider, think over
ES: considerar, adivinar, estimar, conjeturar, appreciar, hacer conjeturas
FR: évaluer, apprécier, taxer, estimer, deviner, fixer, déterminer, prévaloir, repeser, conjecturer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
overgewogen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik weeg over jij weegt over hij weegt over wij wegen over jullie wegen over zij wegen over
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb overgewogen jij hebt overgewogen hij heeft overgewogen wij hebben overgewogen jullie hebben overgewogen zij hebben overgewogen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik woog over jij woog over hij woog over wij wogen over jullie wogen over zij wogen over
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had overgewogen jij had overgewogen hij had overgewogen wij hadden overgewogen jullie hadden overgewogen zij hadden overgewogen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal overwegen jij zult overwegen hij zal overwegen wij zullen overwegen jullie zullen overwegen zij zullen overwegen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal overgewogen hebben jij zult overgewogen hebben hij zal overgewogen hebben wij zullen overgewogen hebben jullie zullen overgewogen hebben zij zullen overgewogen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou overwegen jij zou overwegen hij zou overwegen wij zouden overwegen jullie zouden overwegen zij zouden overwegen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou overgewogen hebben jij zou overgewogen hebben hij zou overgewogen hebben wij zouden overgewogen hebben jullie zouden overgewogen hebben zij zouden overgewogen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
weeg over
|