NL: overvallenSynoniemen: overkomen, aanvallen, attaqueren, overrompelen, bestormen
DE: overvallen (attaqueren): anfallen, bestürmen, angreifen, anstürmen
EN: overvallen (attaqueren): attack, assault, raid, lay violent hands upon, violate, storm
ES: overvallen (attaqueren): atacar, agredir, asaltar, acometer
FR: overvallen (attaqueren): attaquer, assaillir, imposer, forcer, agresser, faire violence, contraindre, assiéger, se précipiter, s'élancer, se ruer, brusquer, prendre d'assaut, se ruer sur, donner l'assaut à
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
overvallen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik overval jij overvalt hij overvalt wij overvallen jullie overvallen zij overvallen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb overvallen jij hebt overvallen hij heeft overvallen wij hebben overvallen jullie hebben overvallen zij hebben overvallen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik overviel jij overviel hij overviel wij overvielen jullie overvielen zij overvielen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had overvallen jij had overvallen hij had overvallen wij hadden overvallen jullie hadden overvallen zij hadden overvallen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal overvallen jij zult overvallen hij zal overvallen wij zullen overvallen jullie zullen overvallen zij zullen overvallen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal overvallen hebben jij zult overvallen hebben hij zal overvallen hebben wij zullen overvallen hebben jullie zullen overvallen hebben zij zullen overvallen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou overvallen jij zou overvallen hij zou overvallen wij zouden overvallen jullie zouden overvallen zij zouden overvallen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou overvallen hebben jij zou overvallen hebben hij zou overvallen hebben wij zouden overvallen hebben jullie zouden overvallen hebben zij zouden overvallen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
overval
|