NL: overlijdenSynoniemen: dood gaan, doodgaan, heengaan, inslapen, sterven, dood, verscheiden, versmachten, vermaken, overdragen, ontslapen, omkomen, kapotgaan, wegvallen, vallen, sneuvelen, bezwijken
DE: abkratzen, sterben, hingehen, erliegen, versterben, einschlummern, hinscheiden, einschlafen, verscheiden, dahingehen
EN: die, pass away, expire
ES: morir, morirse, fallecer, dormirse, abandonar, adormecerse, adormilarse, dormitarse
FR: mourir, décéder, crever, trépasser, s'endormir, rendre l'âme
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
overleden
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik overlijd jij overlijdt hij overlijdt wij overlijden jullie overlijden zij overlijden
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik ben overleden jij bent overleden hij is overleden wij zijn overleden jullie zijn overleden zij zijn overleden
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik overleed jij overleed hij overleed wij overleden jullie overleden zij overleden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik was overleden jij was overleden hij was overleden wij waren overleden jullie waren overleden zij waren overleden
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal overlijden jij zult overlijden hij zal overlijden wij zullen overlijden jullie zullen overlijden zij zullen overlijden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal overleden zijn jij zult overleden zijn hij zal overleden zijn wij zullen overleden zijn jullie zullen overleden zijn zij zullen overleden zijn
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou overlijden jij zou overlijden hij zou overlijden wij zouden overlijden jullie zouden overlijden zij zouden overlijden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou overleden zijn jij zou overleden zijn hij zou overleden zijn wij zouden overleden zijn jullie zouden overleden zijn zij zouden overleden zijn
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
overlijd
|