NL: overlevenSynoniemen: handhaven, overblijven, trotseren, voortbestaan, voortleven
DE: überleben, überstehen, überdauern
EN: survive, outlive
ES: sobrevivir, aguantar, resistir, conservarse en vida
FR: survivre
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
overleefd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik overleef jij overleeft hij overleeft wij overleven jullie overleven zij overleven
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb overleefd jij hebt overleefd hij heeft overleefd wij hebben overleefd jullie hebben overleefd zij hebben overleefd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik overleefde jij overleefde hij overleefde wij overleefden jullie overleefden zij overleefden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had overleefd jij had overleefd hij had overleefd wij hadden overleefd jullie hadden overleefd zij hadden overleefd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal overleven jij zult overleven hij zal overleven wij zullen overleven jullie zullen overleven zij zullen overleven
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal overleefd hebben jij zult overleefd hebben hij zal overleefd hebben wij zullen overleefd hebben jullie zullen overleefd hebben zij zullen overleefd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou overleven jij zou overleven hij zou overleven wij zouden overleven jullie zouden overleven zij zouden overleven
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou overleefd hebben jij zou overleefd hebben hij zou overleefd hebben wij zouden overleefd hebben jullie zouden overleefd hebben zij zouden overleefd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
overleef
|