NL: outillerenSynoniemen: toerusten
DE: ausrüsten
EN: equip, fit out
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geoutilleerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik outilleer jij outilleert hij outilleert wij outilleren jullie outilleren zij outilleren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geoutilleerd jij hebt geoutilleerd hij heeft geoutilleerd wij hebben geoutilleerd jullie hebben geoutilleerd zij hebben geoutilleerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik outilleerde jij outilleerde hij outilleerde wij outilleerden jullie outilleerden zij outilleerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geoutilleerd jij had geoutilleerd hij had geoutilleerd wij hadden geoutilleerd jullie hadden geoutilleerd zij hadden geoutilleerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal outilleren jij zult outilleren hij zal outilleren wij zullen outilleren jullie zullen outilleren zij zullen outilleren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geoutilleerd hebben jij zult geoutilleerd hebben hij zal geoutilleerd hebben wij zullen geoutilleerd hebben jullie zullen geoutilleerd hebben zij zullen geoutilleerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou outilleren jij zou outilleren hij zou outilleren wij zouden outilleren jullie zouden outilleren zij zouden outilleren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geoutilleerd hebben jij zou geoutilleerd hebben hij zou geoutilleerd hebben wij zouden geoutilleerd hebben jullie zouden geoutilleerd hebben zij zouden geoutilleerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
outilleer
|