NL: opzettenSynoniemen: aanmoedigen, aanzwellen, beginnen, opkomen, toenemen, vermeerderen, stijgen, omhooggaan, groeien, gedijen, aanwinnen, aanwassen, aangroeien, opjutten, zwellen, uitdijen, rijzen, opzwellen
DE: präparieren, ausstopfen
EN: stuff
ES: disecar
FR: empailler des animaux
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgezet
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zet op jij zet op hij zet op wij zetten op jullie zetten op zij zetten op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgezet jij hebt opgezet hij heeft opgezet wij hebben opgezet jullie hebben opgezet zij hebben opgezet
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zette op jij zette op hij zette op wij zetten op jullie zetten op zij zetten op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgezet jij had opgezet hij had opgezet wij hadden opgezet jullie hadden opgezet zij hadden opgezet
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opzetten jij zult opzetten hij zal opzetten wij zullen opzetten jullie zullen opzetten zij zullen opzetten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgezet hebben jij zult opgezet hebben hij zal opgezet hebben wij zullen opgezet hebben jullie zullen opgezet hebben zij zullen opgezet hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opzetten jij zou opzetten hij zou opzetten wij zouden opzetten jullie zouden opzetten zij zouden opzetten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgezet hebben jij zou opgezet hebben hij zou opgezet hebben wij zouden opgezet hebben jullie zouden opgezet hebben zij zouden opgezet hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zet op
|