NL: opzadelenSynoniemen: belasten, zadelen
DE: satteln, aufsatteln
EN: saddle up, burden
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgezadeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zadel op jij zadelt op hij zadelt op wij zadelen op jullie zadelen op zij zadelen op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgezadeld jij hebt opgezadeld hij heeft opgezadeld wij hebben opgezadeld jullie hebben opgezadeld zij hebben opgezadeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zadelde op jij zadelde op hij zadelde op wij zadelden op jullie zadelden op zij zadelden op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgezadeld jij had opgezadeld hij had opgezadeld wij hadden opgezadeld jullie hadden opgezadeld zij hadden opgezadeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opzadelen jij zult opzadelen hij zal opzadelen wij zullen opzadelen jullie zullen opzadelen zij zullen opzadelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgezadeld hebben jij zult opgezadeld hebben hij zal opgezadeld hebben wij zullen opgezadeld hebben jullie zullen opgezadeld hebben zij zullen opgezadeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opzadelen jij zou opzadelen hij zou opzadelen wij zouden opzadelen jullie zouden opzadelen zij zouden opzadelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgezadeld hebben jij zou opgezadeld hebben hij zou opgezadeld hebben wij zouden opgezadeld hebben jullie zouden opgezadeld hebben zij zouden opgezadeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zadel op
|