NL: opwindenSynoniemen: enthousiasmeren, kwaad worden, oprollen, opwikkelen, prikkelen, voorbereiden, verhitten, toebereiden, bereiden, aanwakkeren, aanmaken, opheffen, omwikkelen, liquideren, inzwachtelen, inbakeren, baken, afwikkelen, schudden, opstoken, opruien, ophitsen, agi
DE: opwinden (prikkelen): erregen, anregen, prickeln, stimulieren, aufwinden, reizen, anreizen, erhitzen, schmeicheln, kosen
EN: opwinden (prikkelen): arouse, excite, stir up, stimulate
ES: opwinden (prikkelen): excitar, incitar, estimular
FR: opwinden (prikkelen): allumer, exciter, aiguiser, ameuter, aiguillonner, inciter, piquer, stimuler, picoter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgewonden
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik wind op jij windt op hij windt op wij winden op jullie winden op zij winden op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgewonden jij hebt opgewonden hij heeft opgewonden wij hebben opgewonden jullie hebben opgewonden zij hebben opgewonden
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik wond op jij wond op hij wond op wij wonden op jullie wonden op zij wonden op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgewonden jij had opgewonden hij had opgewonden wij hadden opgewonden jullie hadden opgewonden zij hadden opgewonden
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opwinden jij zult opwinden hij zal opwinden wij zullen opwinden jullie zullen opwinden zij zullen opwinden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgewonden hebben jij zult opgewonden hebben hij zal opgewonden hebben wij zullen opgewonden hebben jullie zullen opgewonden hebben zij zullen opgewonden hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opwinden jij zou opwinden hij zou opwinden wij zouden opwinden jullie zouden opwinden zij zouden opwinden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgewonden hebben jij zou opgewonden hebben hij zou opgewonden hebben wij zouden opgewonden hebben jullie zouden opgewonden hebben zij zouden opgewonden hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
wind op
|