NL: opvissenSynoniemen: opduikelen
FR: déterrer, sortir de l'eau
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgevist
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vis op jij vist op hij vist op wij vissen op jullie vissen op zij vissen op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgevist jij hebt opgevist hij heeft opgevist wij hebben opgevist jullie hebben opgevist zij hebben opgevist
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik viste op jij viste op hij viste op wij visten op jullie visten op zij visten op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgevist jij had opgevist hij had opgevist wij hadden opgevist jullie hadden opgevist zij hadden opgevist
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opvissen jij zult opvissen hij zal opvissen wij zullen opvissen jullie zullen opvissen zij zullen opvissen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgevist hebben jij zult opgevist hebben hij zal opgevist hebben wij zullen opgevist hebben jullie zullen opgevist hebben zij zullen opgevist hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opvissen jij zou opvissen hij zou opvissen wij zouden opvissen jullie zouden opvissen zij zouden opvissen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgevist hebben jij zou opgevist hebben hij zou opgevist hebben wij zouden opgevist hebben jullie zouden opgevist hebben zij zouden opgevist hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vis op
|