NL: opvijzelenSynoniemen: opkalefateren, oplappen, opknappen
EN: opvijzelen (opkalefateren): refurbish, jack up v, pep up, boost, patch up
FR: opvijzelen (opkalefateren): rehausser, relever, se remettre, remonter, soulever, arranger, se rafraîchir, réparer, réconforter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgevijzeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vijzel op jij vijzelt op hij vijzelt op wij vijzelen op jullie vijzelen op zij vijzelen op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgevijzeld jij hebt opgevijzeld hij heeft opgevijzeld wij hebben opgevijzeld jullie hebben opgevijzeld zij hebben opgevijzeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vijzelde op jij vijzelde op hij vijzelde op wij vijzelden op jullie vijzelden op zij vijzelden op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgevijzeld jij had opgevijzeld hij had opgevijzeld wij hadden opgevijzeld jullie hadden opgevijzeld zij hadden opgevijzeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opvijzelen jij zult opvijzelen hij zal opvijzelen wij zullen opvijzelen jullie zullen opvijzelen zij zullen opvijzelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgevijzeld hebben jij zult opgevijzeld hebben hij zal opgevijzeld hebben wij zullen opgevijzeld hebben jullie zullen opgevijzeld hebben zij zullen opgevijzeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opvijzelen jij zou opvijzelen hij zou opvijzelen wij zouden opvijzelen jullie zouden opvijzelen zij zouden opvijzelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgevijzeld hebben jij zou opgevijzeld hebben hij zou opgevijzeld hebben wij zouden opgevijzeld hebben jullie zouden opgevijzeld hebben zij zouden opgevijzeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vijzel op
|